Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8339

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
10-3981 AWBZ-T
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2010:2548, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Er heeft geen onderzoek plaatsgevonden als voorgeschreven in artikel 6 van het Zib. Er heeft geen onderzoek plaatsgevonden naar de algemene gezondheidstoestand van appellant tijdens een spreekuurbezoek of bij appellant thuis en evenmin is bezien of een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijk of zintuiglijke handicap aanwezig is als gevolg waarvan appellant beperkingen ondervindt. De Raad wijst er in dit verband op dat in het geval dat het onderzoek onvoldoende duidelijkheid oplevert CIZ een gespecialiseerd medicus kan verzoeken om nader onderzoek te verrichten. De Raad zal CIZ opdragen om het gebrek te herstellen. De Raad stelt de termijn waarbinnen dat gebrek moet worden hersteld vast op twee maanden na de datum waarop deze tussenuitspraak is gedaan.

Wetsverwijzingen
Zorgindicatiebesluit
Zorgindicatiebesluit 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/84
USZ 2013/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3981 AWBZ-T, 11/123 AWBZ-T, 11/6178 AWBZ-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 juni 2010, 09/2369 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

Datum uitspraak: 9 januari 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2012. Appellant is niet verschenen. CIZ is vertegenwoordigd door mr. L.M.R. Kater.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft in een aanvraag van 24 november 2008 aan CIZ verzocht om hem in aanmerking te brengen voor zorg bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Op zijn aanvraagformulier heeft appellant op de vraag ‘Welke zorg heeft u nodig’ aangekruist: ‘Behandeling’ en ‘Ik weet niet welke zorg nodig is’.

1.2. CIZ heeft bij besluit van 1 april 2009 aan appellant meegedeeld dat zijn aanvraag niet verder in behandeling wordt genomen omdat hij telefonisch heeft aangegeven niet akkoord te gaan met het verder opvragen van medische informatie. Daarom kan CIZ niet de grondslag bepalen. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.3. CIZ heeft bij besluit van 14 mei 2009 het bezwaar van appellant gegrond verklaard en hem in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken aanvullende medische gegevens aan te leveren zodat de aanvraag opnieuw kan worden beoordeeld. Appellant heeft daartegen beroep ingediend.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit van 14 mei 2009 vernietigd. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van 14 mei 2009 in strijd is met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat CIZ daarin geen inhoudelijk besluit heeft genomen op de voorliggende rechtsvraag. De rechtbank heeft CIZ opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van haar uitspraak.

3. Appellant heeft tegen de onder 2 genoemde uitspraak hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. Verder heeft appellant bij de rechtbank Breda beroep ingesteld tegen het uitblijven van het door CIZ te nemen nieuwe besluit op bezwaar. De rechtbank Breda heeft dat beroep doorgezonden naar de Raad.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Bij besluit van 23 mei 2011 heeft CIZ het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 april 2009 alsnog ongegrond verklaard. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat op grond van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb in de beoordeling wordt betrokken.

4.2. Omdat CIZ het nieuwe besluit van 23 mei 2011 heeft genomen, heeft appellant geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep tegen het uitblijven van een nieuw besluit. Dat beroep komt daarom voor niet-ontvankelijkheidverklaring in aanmerking.

4.3. In hoger beroep moet worden vastgesteld of de rechtbank het beroep van appellant terecht gegrond heeft verklaard wegens strijd van het besluit van 14 mei 2009 met artikel 7:11 van de Awb. Het is vaste rechtspraak van de Raad (onder meer LJN AY0961 en AU2387) dat een aankondiging in een besluit op bezwaar dat een nader besluit zal volgen in strijd is met de in artikel 7:11, eerste en tweede lid, van de Awb neergelegde verplichtingen tot volledige heroverweging van het besluit en tot het voor zover nodig nemen van een nieuw besluit. De rechtbank heeft dit onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

4.4. Ten slotte ligt het besluit van 23 mei 2011 ter beoordeling voor. Daarin heeft CIZ overwogen dat er sprake moet zijn van bepaalde gezondheidsproblematiek (met name een ziekte, aandoening, stoornis, handicap of beperking) om voor AWBZ-zorg in aanmerking te komen, de zogenaamde grondslag. CIZ heeft te weinig gegevens om de grondslag te bepalen, omdat appellant geen medische gegevens heeft overgelegd en geen toestemming heeft gegeven om medische informatie op te vragen. Voor zover er sprake zou zijn van een psychiatrische grondslag is behandeling via de Zorgverzekeringswet (Zvw) voorliggend. Datzelfde geldt voor zover er sprake is van een somatische grondslag. CIZ heeft in het besluit van 23 mei 2011 verder meegedeeld dat het College voor zorgverzekeringen heeft geadviseerd om aan appellant mee te delen dat de posten waarvoor hij vergoeding vraagt niet tot de AWBZ gerekend kunnen worden.

4.5. Op grond van artikel 6 van het Zorgindicatiebesluit (Zib) wordt voor zover dit voor het nemen van een indicatiebesluit van belang is, onderzoek verricht naar:

a. de algemene gezondheidstoestand van de zorgvrager;

b. de beperkingen die de zorgvrager in zijn functioneren ondervindt als gevolg van een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap;

c. de woning en de woonomgeving van de zorgvrager;

d. het psychisch en sociaal functioneren van de zorgvrager;

e. de sociale omstandigheden van de zorgvrager;

f. de aard en de omvang van de aan de zorgvrager geboden professionele en niet-professionele hulp en zorg en de mogelijkheden tot continuering en uitbreiding daarvan.

4.6. De vraag die nu voorligt, is of CIZ met het onderzoek dat zij heeft verricht, heeft voldaan aan de onderzoeksplicht zoals neergelegd in artikel 6 van het Zib.

4.7. Het onderzoek van CIZ heeft eruit bestaan dat de indicatiesteller telefonisch contact heeft opgenomen met appellant welk gesprek niet heeft opgeleverd dat appellant toestemming heeft gegeven om nadere informatie in te winnen bij de huisarts en welk gesprek de indicatiesteller heeft beëindigd toen appellant zich dreigend uitte. Nadat de rechtbank in de aangevallen uitspraak CIZ heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, heeft de medisch adviseur op grond van de voorhanden zijnde stukken geadviseerd. Deze medisch adviseur heeft geschreven dat er diagnostische gegevens ontbreken. Omdat CIZ niet gemachtigd is om medische gegevens over de diagnostiek en onderzoeksbevindingen die nodig zijn om de grondslag te bepalen, kan volgens de medisch adviseur niet worden beoordeeld of appellant is aangewezen op AWBZ-zorg.

4.8. De Raad volgt het in overweging 4.7 neergelegde oordeel van de medisch adviseur van CIZ niet. Uit artikel 6 van het Zib volgt dat onderzoek dient te worden verricht naar onder meer de algemene gezondheidstoestand van de zorgvrager. Voorts dient onderzoek te worden verricht naar de beperkingen die de zorgvrager in zijn functioneren ondervindt als gevolg van een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap. Het Zib biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit onderzoek achterwege kan blijven indien door de behandelde beroepsbeoefenaren geen medische gegevens zijn verstrekt. Evenmin kan uit de omstandigheid dat geen medische gegevens van de behandelende beroepsbeoefenaren bekend zijn worden afgeleid dat er geen grondslag kan worden bepaald als bedoeld in overweging 4.7.

4.9. Voor het standpunt van de medisch adviseur van CIZ kan geen steun worden gevonden in artikel 7 van het Zib. Uit dit artikel volgt de verplichting om bij onderzoek zoveel als mogelijk gebruik te maken van gegevens die bij de aanvraag zijn gevoegd of tijdens het onderzoek ter beschikking zijn gesteld. Voorts biedt dit artikel de mogelijkheid om - met toestemming van de zorgvrager - de behandelende beroepsbeoefenaren van de zorgvrager te raadplegen.

4.10. De omstandigheid dat appellant geen toestemming heeft verleend de behandelende beroepsbeoefenaren te raadplegen doet niet af aan de onderzoekverplichting neergelegd in artikel 6 van het Zib.

4.11. Nu in dit geval is volstaan met een onderzoek als beschreven in overweging 4.7 heeft geen onderzoek plaatsgevonden als voorgeschreven in artikel 6 van het Zib. Er heeft geen onderzoek plaatsgevonden naar de algemene gezondheidstoestand van appellant tijdens een spreekuurbezoek of bij appellant thuis en evenmin is bezien of een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijk of zintuiglijke handicap aanwezig is als gevolg waarvan appellant beperkingen ondervindt. De Raad wijst er in dit verband op dat in het geval dat het onderzoek onvoldoende duidelijkheid oplevert CIZ een gespecialiseerd medicus kan verzoeken om nader onderzoek te verrichten.

5. De Raad zal CIZ met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet opdragen om het in 4.11 bedoelde gebrek te herstellen. De Raad stelt de termijn waarbinnen dat gebrek moet worden hersteld vast op twee maanden na de datum waarop deze tussenuitspraak is gedaan.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt CIZ op om binnen twee maanden na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 23 mei 2011 te herstellen met inachtneming van wat is overwogen in deze tussenuitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. van Berkel-Kikkert als voorzitter en J. Brand en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013.

(getekend) G.M.T. van Berkel-Kikkert

(getekend) P.J.M. Crombach