Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8326

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2013
Datum publicatie
15-01-2013
Zaaknummer
10-1165 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling. Het bestuursorgaan is geheel aan de indiener van het beroepschrift tegemoetgekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1165 MAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 januari 2010, 08/8629 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Staatssecretaris van Defensie, thans: de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 11 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft de heer mr. H.G.M. van Dijk hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De Raad heeft op 19 april 2012 een tussenuitspraak gedaan waarin de minister is opgedragen om binnen acht weken het gebrek in het besluit van 23 oktober 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Bij brief van 11 juli 2012 heeft de heer mr. H.G.M. van Dijk namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de minister te veroordelen in de proceskosten.

Bij brief van 16 augustus 2012 heeft de minister gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

De Raad stelt vast dat, zoals aangegeven in de brief van de heer Van Dijk, (geheel) aan appellant is tegemoetgekomen.

Nu de minister niet heeft betwist dat aldus aan appellant is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om de minister te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op door een

€ 644,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 750,-- voor de kosten van een uitgebracht verslag van een deskundige, in totaal € 2.268,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.268,-- te betalen door de staat der Nederlanden.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2013.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) M. Zwart