Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8293

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2013
Datum publicatie
15-01-2013
Zaaknummer
12-155 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenning van studiefinanciering. Het door de Minister in hoger beroep overgelegde nadere advies van de Nuffic van 17 oktober 2011 biedt alsnog een voldoende grondslag voor het oordeel van de Minister dat de opleiding in de Verenigde Staten waarvoor appellante studiefinanciering heeft aangevraagd, niet voldoet aan de criteria genoemd in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/155 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van

1 december 2011, 11/1160 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

Datum uitspraak: 11 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [vader], vader van appellante, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2012. Voor appellante is [vader] verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 25 juli 2011 (bestreden besluit) heeft de Minister, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit tot afwijzing van de aanvraag van appellante om toekenning van studiefinanciering voor de 3-jarige opleiding Professional Conservatory aan de Stella Adler Studio of Acting (Stella) te New York in de Verenigde Staten van Amerika (Verenigde Staten), omdat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). De Minister heeft zich hierbij gebaseerd op het desgevraagd verkregen advies van de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (Nuffic). Dit advies houdt in dat de opleiding Professional Conservatory aan Stella niet leidt tot een in de Verenigde Staten erkend diploma omdat Stella daar niet is geaccrediteerd door een van de zes regionale accrediterende instanties. Aangezien niet wordt voldaan aan de in artikel 2.14 van de Wsf 2000 gestelde voorwaarde dat de opleiding in het buitenland leidt tot een nationaal erkend diploma is een toetsing van de kwaliteit en het niveau van de opleiding verder niet meer van belang.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante handhaaft in hoger beroep het standpunt dat voldaan is aan artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000. Daartoe is onder meer naar voren gebracht dat de opleiding bij Stella is geaccrediteerd door de National Association of Schools of Theatre (NAST), het niveau en de kwaliteit van de opleiding wereldwijd als uitzonderlijk goed bekend staat en het afsluitend examen van de opleiding vergelijkbaar is met een hbo-opleiding toneel in Nederland.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000 kan een student voor studiefinanciering in aanmerking komen indien hij is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland, voor zover in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding studiefinanciering wordt verstrekt, het niveau en de kwaliteit van de opleiding vergelijkbaar zijn met overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW en het afsluitend examen voor de opleiding vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW.

Ingevolge artikel 2.14, derde lid, van de Wsf 2000 stelt de Minister vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het tweede lid. De Memorie van Toelichting bij artikel 2.14 van de Wsf 2000 (30 933, nr. 3 pag. 7-8 en 25) vermeldt dat de Minister daarbij gebruik zal maken van het oordeel van de Nuffic.

4.2. De Minister heeft, conform de bedoeling van de wetgever, de Nuffic om advies gevraagd ter beantwoording van de vraag of de opleiding in de Verenigde Staten waarvoor appellante studiefinanciering heeft aangevraagd, voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000.

4.3. De Nuffic heeft Algemene waarderingscriteria opgesteld aan de hand waarvan getoetst wordt of een buitenlandse opleiding recht geeft op studiefinanciering. Ingevolge deze criteria wordt in eerste instantie bekeken of de buitenlandse opleiding officieel erkend is in het desbetreffende land, de zogenoemde eis van accreditatie. Is daarvan sprake dan wordt vervolgens aan de hand van nader omschreven kenmerken bepaald of een buitenlandse opleiding op één lijn is te stellen met Nederlands WO of HBO.

4.4. De Nuffic heeft in haar advies aan de Minister vastgesteld dat in het onderhavige geval reeds niet is voldaan aan de eis van accreditatie. Nu de opleiding aan Stella niet is geaccrediteerd door een van de zes regionale accrediterende instanties leidt die opleiding niet tot een in de Verenigde Staten erkend diploma.

4.5.1. Uit de Landenmodule Verenigde Staten 2010 van de Nuffic valt af te leiden dat in de Verenigde Staten naast zes regionale instanties die instellingen accrediteren er een aantal nationale organisaties zijn die bijzondere instellingen accrediteren. Een daarvan is de NAST. NAST heeft Stella geaccrediteerd. NAST wordt weliswaar niet erkend door de Council for Higher Education Accreditation (CHEA) maar wel door het United States Department of Education (USDE of DOE). Het gevolg hiervan is dat de opleiding aan Stella officieel erkend is in de Verenigde Staten en leidt tot een in de Verenigde Staten erkend diploma.

4.5.2. De Minister heeft in hoger beroep een nader advies van de Nuffic van 17 oktober 2011 overgelegd waarin wordt gesteld dat iedere instelling die geaccrediteerd wordt door een ‘accreditor’ die door CHEA of DOE erkend is, beschouwd wordt als geaccrediteerd en nationaal erkende diploma’s afgeeft.

4.6. Hetgeen onder 4.5.1. en 4.5.2 is overwogen leidt tot het oordeel dat het eerste onder 1 en 4.4 vermelde advies van de Nuffic ten grondslag liggend aan het bestreden besluit, onjuist is en derhalve een onvoldoende grondslag vormt voor de afwijzing van de aanvraag van appellante om studiefinanciering voor de opleiding Professional Conservatory aan Stella in de Verenigde Staten. Het bestreden besluit berust dan ook op een ontoereikende motivering. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen dan ook te worden vernietigd.

4.7.1. Er bestaat aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand blijven. Het door de Minister in hoger beroep overgelegde nadere advies van de Nuffic van 17 oktober 2011 biedt alsnog een voldoende grondslag voor het oordeel van de Minister dat de opleiding in de Verenigde Staten waarvoor appellante studiefinanciering heeft aangevraagd, niet voldoet aan de criteria genoemd in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000.

4.7.2. In het midden wordt gelaten de juistheid van het standpunt van de Nuffic dat alleen instellingen die door een regionale accrediterende instantie zijn geaccrediteerd opleidingen verzorgen die overeenkomen met het niveau van hoger onderwijs in Nederland. De Nuffic wordt gevolgd in het standpunt dat de gespecialiseerde opleiding die Stella aanbiedt het niveau van een beroepsopleiding en niet van hoger onderwijs heeft. Voorts is het afsluitend examen voor de opleiding aan Stella niet vergelijkbaar met een afsluitend examen voor overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW. De opleiding aan Stella leidt niet tot een graad. De opleiding wordt afgesloten met een certificaat dat geen toegang geeft tot vervolgopleidingen. Het afsluitend examen voor opleidingen in de zin van de WHW leidt tot een graad (associate degree, bachelor of master) en geeft toegang tot vervolgopleidingen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 juli 2011;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat de Minister aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal

€ 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2013.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) J.R. Baas