Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8273

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2013
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
09/6837 WIA + 10/1553 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2009:BK4465, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op een loongerelateerde WGA-uitkering. Het besluit is zorgvuldig voorbereid. Gelet op de over werkneemster beschikbare medische gegevens was sprake van een reële verwachting ten aanzien van herstel van de belastbaarheid.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6837 WIA, 10/1553 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 9 november 2009, 09/174 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 10 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Arbeid en Recht B.V., gevestigd te Zwolle, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft Van Baarlen zich namens [werkneemster] (werkneemster) gesteld. In dit verband heeft Van Baarlen bij brief van 19 januari 2010 meegedeeld dat werkneemster geen toestemming aan de Raad verleent om haar medische gegevens ter kennisname van appellante te brengen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft het Uwv gevoegd een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit op bezwaar van 28 december 2009.

Bij brief van 15 maart 2010 heeft de griffier van de Raad aan partijen en de rechtbank meegedeeld dat de Raad vooralsnog heeft besloten bij de behandeling van het geding, geregistreerd onder nummer 09/6837 WIA, tevens een oordeel te geven over het hiervoor genoemde besluit van 28 december 2009, geregistreerd onder nummer 10/1553 WIA.

Bij brief van 6 mei 2010 is de Raad op de in de brief van 15 maart 2010 gedane mededeling teruggekomen. Aan partijen is meegedeeld dat voornoemd besluit geen besluit is dat ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden meegenomen.

Op de brief van 6 mei 2010 heeft de gemachtigde van appellante gereageerd bij twee afzonderlijke brieven van 11 mei 2010. Naar aanleiding van deze brieven is deze gemachtigde bij brief van de Raad van 21 mei 2010 bericht dat in dit geval artikel 26 van de Beroepswet noch artikel 6:15 van de Awb aan de orde is.

In verband met het bepaalde in artikel 8:43, tweede lid, van de Awb is werkneemster in de gelegenheid gesteld een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven. Namens werkneemster heeft Van Baarlen bij brief van 11 mei 2011 van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 14 oktober 2011. Namens appellante is Van Baarlen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong. Namens werkneemster is eveneens Van Baarlen verschenen.

De griffier heeft, na sluiting van het onderzoek, op 22 december 2011 meegedeeld dat de Raad het onderzoek heeft heropend omdat het onderzoek niet volledig is geweest. Daarbij heeft de griffier meegedeeld dat de Raad terugkomt van zijn hiervoor vermelde procedurebeslissing van 6 mei 2010 en dat hij thans van oordeel is dat het uitvoeringsbesluit van rechtswege ook ter beoordeling in hoger beroep voorligt.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 8 november 2012. Namens appellante is Van Baarlen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Jong. Werkneemster was niet vertegenwoordigd.

OVERWEGINGEN

1.1. Werkneemster was werkzaam als administratief medewerkster in dienst van appellante, toen zij op 15 februari 2008 opnieuw uitviel wegens klachten ten gevolge van recidiverende borstkanker. Eerder had het Uwv geweigerd haar - in verband met een ziekmelding per 7 januari 2005 wegens ook borstkanker - met ingang van 5 januari 2007 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen op de grond dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2. Bij besluit van 18 juni 2008 (toekenningsbesluit) heeft het Uwv vastgesteld dat voor werkneemster met ingang van 15 februari 2008 op grond van artikel 55 van de Wet WIA recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering.

1.3. Bij afzonderlijk besluit van 18 juni 2008 (toerekeningsbesluit) heeft het Uwv bepaald dat de periode waarover door appellante het eigen risico voor de Wet WIA wordt gedragen, loopt van 15 februari 2008 tot 1 oktober 2013. Tevens is daarin een overzicht gegeven van de door appellante over de periode van 15 februari 2008 tot 15 april 2008 aan werkneemster te betalen uitkering.

1.4. Namens appellante is tegen beide besluiten van 18 juni 2008 bezwaar gemaakt.

1.5. Bij besluit van 11 december 2008 (besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar tegen het toekenningsbesluit ongegrond verklaard.

2.1. Namens appellante is beroep ingesteld tegen besluit 1. Tevens is beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar tegen het toerekeningsbesluit.

2.2. Hangende het beroep heeft het Uwv een gewijzigde beslissing van 1 oktober 2009 (besluit 2) op het bezwaar tegen het toekenningsbesluit in het geding gebracht. Bij besluit 2 is het bezwaar tegen het toekenningsbesluit in zoverre gegrond verklaard dat de WGA-uitkering wordt toegekend met ingang van 8 februari 2008.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen het toerekeningsbesluit is gegrond verklaard. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op dit bezwaar is door de rechtbank vernietigd en voorts is door de rechtbank bepaald dat het Uwv binnen vier weken na verzending van haar uitspraak alsnog een besluit moet nemen op het bezwaar van appellante tegen het toerekeningsbesluit. Het beroep tegen besluit 2 is ongegrond verklaard. Ten slotte heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding van griffierecht en proceskosten.

3.1. De aanvankelijk tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen besluit 1 gerichte grond heeft appellante ter zitting van de Raad van 14 oktober 2011 ingetrokken.

3.2. Met betrekking tot besluit 2 heeft appellante zich in hoger beroep op het - kort samengevatte - standpunt gesteld dat werkneemster met ingang van 8 februari 2008 duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is, zodat er aanspraak is op een IVA-uitkering.

4.1. Met betrekking tot de ambtshalve vast te stellen omvang van het geding overweegt de Raad als volgt.

4.2. De Raad komt, zoals reeds is meegedeeld op 22 december 2011, terug van zijn in de rubriek Procesverloop gegeven procedurebeslissing van 6 mei 2010. Gelet op de in de overwegingen 1.2 tot en met 2.3 van deze uitspraak weergegeven besluitvorming en de daarover door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gegeven beslissingen, is de Raad van oordeel dat op grond van de artikelen 6:20, vierde lid, en 6:24 van de Awb, van rechtswege ook het in de rubriek Procesverloop vermelde besluit van 28 december 2009 (besluit 3) ter beoordeling in hoger beroep voorligt. Gebleken is immers dat met besluit 3 niet is tegemoet gekomen aan het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het toerekeningsbesluit

5.1. De Raad komt over de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op besluit 2, tot de volgende beoordeling.

5.2. De Raad stelt voorop dat hij de brief van Van Baarlen van 19 januari 2010 begrijpt in die zin dat deze tevens inhoudt dat werkneemster op grond van artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet en artikel 8:26 van de Awb als partij aan het geding, voor zover dit betreft het oordeel van de rechtbank over besluit 2, wil deelnemen.

5.3. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten ligt ter beoordeling voor het oordeel van de rechtbank over de vraag of het Uwv bij besluit 2 terecht heeft vastgesteld dat werkneemster op 8 februari 2008 niet in aanmerking kwam voor een IVA-uitkering, omdat zij toen weliswaar volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt was.

5.4. In zijn uitspraak van 4 februari 2009 (LJN BH1896) heeft de Raad overwogen dat in geval bezwaar wordt gemaakt tegen een besluit waarin is bepaald dat een verzekerde op een bepaalde datum niet duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht, uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb voortvloeit dat door de bezwaarverzekeringsarts ook ten aanzien van de inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid een heroverweging dient plaats te vinden. Dit brengt met zich dat de bezwaarverzekeringsarts, rekening houdend - kort gezegd - met alle medische gegevens die in bezwaar voorhanden zijn en die betrekking hebben op de datum in geding, beoordeelt of de inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, uitgaande van die datum, gehandhaafd moet blijven.

5.5. In zijn uitspraak van 1 oktober 2010 (LJN BN9226) heeft de Raad voorts overwogen dat de bestuursrechter bij de beoordeling van de vraag of op basis van een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts terecht is aangenomen dat van duurzaamheid van arbeidsongeschiktheid geen sprake is, alle nadien door een verzekerde ingebrachte medische informatie kan betrekken voor zover deze informatie betrekking heeft op de datum die in geding is. Daarbij is niet van belang dat de bezwaarverzekeringsarts toen hij tot zijn inschatting van de herstelkansen van de betreffende verzekerde kwam met de in beroep of in hoger beroep ingebrachte informatie niet bekend kon zijn. Ter beantwoording is de vraag of met de gegevens die bekend zijn geworden over de gezondheidstoestand van verzekerde op de datum in geding, de verwachting die behandelend artsen op dat moment hadden van een ingezette behandeling dan wel de redenen die zij toen hadden om een mogelijke behandeling achterwege te laten, het oordeel over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in stand kan blijven.

5.6. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts L.J. Zwemer in een rapport van 5 december 2008 is ingegaan op de informatie van de behandelende chirurg, S.O. Muller, van 3 november 2008, die in bezwaar is ingebracht. In dit rapport heeft Zwemer uitvoerig en gemotiveerd uiteengezet waarom, uitgaande van het bekend zijn op 8 februari 2008 dat mogelijk sprake was van een lokaal recidief van de borstkanker en van hetgeen bij de beoordeling door de verzekeringsarts in juni 2008 inmiddels bekend was geworden over de op handen zijnde behandeling, niet moest worden uitgegaan van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid en dat de verwachting van de verzekeringsarts, uitgaande van de datum in geding, dat werkneemster in de loop van 2008 weer functionele arbeidsmogelijkheden zou krijgen, bevestiging vond in de bevindingen van Zwemer tijdens het aanvullend spreekuur van 10 oktober 2008.

5.7. De Raad is met de rechtbank - en onder overneming van de door haar daaraan ten grondslag gelegde overwegingen 4.9 tot en met 4.14 - van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts Zwemer, in het rapport van 5 december 2008, in beroep aangevuld met een rapport van 16 maart 2009, overtuigend uiteen heeft gezet dat besluit 2 zorgvuldig is voorbereid en dat er gelet op de over werkneemster beschikbare medische gegevens sprake was van een reële verwachting ten aanzien van herstel van de belastbaarheid. Tevens is daarin voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom de verklaringen van de bedrijfsarts niet tot een ander oordeel over de thans voorliggende vraag leiden.

5.8. De overwegingen 5.2 tot en met 5.7 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, voor zover het betreft dat onderdeel van de aangevallen uitspraak dat ziet op besluit 2, en dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden bevestigd.

6.1. De Raad komt over de aangevallen uitspraak, voor zover deze betreft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen het toerekeningsbesluit, en over het beroep tegen het in zoverre ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit 3, waartegen in lijn met de bij de heropening van het onderzoek op 22 december 2011 gedane mededeling, het even vermeld beroep wordt geacht mede te zijn gericht, tot de volgende beoordeling.

6.2. De Raad stelt voorop dat werkneemster bij de beoordeling als bedoeld in 6.1 geen belanghebbende is zodat zij in zoverre niet als partij aan dit onderdeel van het geding deelneemt.

6.3. In het hoger beroepschrift van 17 december 2009 stelt appellante dat het Uwv nog geen uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank inhoudende het nemen van een besluit op het bezwaar tegen het toerekeningsbesluit binnen vier weken na de verzending van de aangevallen uitspraak op 9 november 2009. In verband hiermee vraagt zij het Uwv te veroordelen tot het betalen van een vergoeding voor elke dag dat het Uwv na 7 december 2009 nalatig is gebleven.

6.4. De Raad overweegt in de eerste plaats dat, gelet op het bij de inwerkingtreding op 1 oktober 2009 van de artikelen 4:17 en verder van de Awb gegeven overgangsrecht in de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Stb 2009, 383), op het niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift dat, zoals in het geval van het bezwaar tegen het toerekeningsbesluit, is ingediend voor die inwerkingtreding, het recht van toepassing blijft zoals dat gold voor dat tijdstip. Voor dit geval was dus uitsluitend van toepassing artikel 8:72, zevende lid, van de Awb dat inhoudt dat de rechtbank, indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan een uitspraak, kan bepalen dat het bestuursorgaan aan een door haar aangewezen partij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt.

6.5. De Raad stelt vast dat appellante in de procedure in eerste aanleg geen dwangsom heeft gevorderd terzake van het uitblijven van het besluit op het bezwaar tegen het toerekeningsbesluit. Mede gelet op de uitspraak van de Raad van 22 juli 2005 (LJN AU0466) kan, nu het Uwv inmiddels - en kort na de verzending van de aangevallen uitspraak - ter uitvoering daarvan besluit 3 heeft genomen, in hoger beroep niet langer de bevoegdheid worden aangenomen achteraf alsnog met terugwerkende kracht de door appellante bedoelde dwangsom vast te stellen.

6.6. Wat betreft besluit 3, waarbij het bezwaar tegen het toerekeningsbesluit ongegrond is verklaard, vermag de Raad niet in te zien welke betekenis voor de toerekening van de onderhavige WGA-uitkering moet worden toegekend aan het feit dat bij besluit 2 de ingangsdatum van die uitkering is verlegd van 15 naar 8 februari 2008. Het Uwv heeft immers in besluit 3 overwogen dat niet wordt teruggekomen op het toerekeningsbesluit hetgeen betekent dat, zoals ook in besluit 3 tot uitdrukking is gebracht, appellante, ook al wijzigt de ingangsdatum van de toerekening door besluit 2, de WGA-uitkering niet behoeft te betalen over de periode van 8 februari tot 15 februari 2008. Nu besluit 3 wat betreft de aanvang van de betalingsverplichting en dus wat betreft het rechtsgevolg op dit aspect geen wijziging inhield ten opzichte van het toerekeningsbesluit, bestond er voor het Uwv geen aanleiding bij besluit 3 het bezwaar gegrond te verklaren en het toerekeningsbesluit te herroepen zodat voor een proceskostenveroordeling in bezwaar evenmin aanleiding bestond.

6.7. Wat betreft de in besluit 3 neergelegde einddatum van de toerekening, te weten 1 oktober 2013 in verband met het bereiken door werkneemster van de leeftijd van 65 jaar op 23 oktober 2013, overweegt de Raad dat deze einddatum naar de stand van zaken en het recht ten tijde van het nemen van besluit 3 niet voor onjuist kan worden gehouden. Hieraan kan ook niet afdoen dat, naar ter zitting van 8 november 2012 is gebleken, inmiddels nadere besluitvorming is gevolgd over de WGA-uitkering per 15 april 2011 en dat als gevolg van wetgeving in 2011 en 2012 de einddatum van de WGA-uitkering wordt aangepast aan de voor werkneemster inmiddels verschoven ingangsdatum van haar AOW-pensioen naar

23 november 2013. Desgewenst staat het appellante vrij in verband met deze latere ontwikkelingen een nadere op die ontwikkelingen toegespitst besluit aan het Uwv te vragen.

6.8. De overwegingen 6.3 tot en met 6.7 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep ook niet slaagt, voor zover dat verband houdt met dat onderdeel van de aangevallen uitspraak, dat ziet op het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen het toerekeningsbesluit, en dat de aangevallen uitspraak ook in zoverre moet worden bevestigd. Voorts dient het beroep tegen besluit 3 ongegrond te worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen besluit 3 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) D.E.P.M. Bary