Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8251

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2013
Datum publicatie
14-01-2013
Zaaknummer
11-672 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een Wajong-uitkering. Op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat er geen sprake is van een bijzonder geval. Het Uwv heeft bij de nadere beoordeling van de aanspraak van appellant kunnen uitgaan van een mogelijke ingangsdatum gelegen niet eerder dan één jaar voor de ontvangst van de aanvraag om een Wajong-uitkering. Hetgeen namens appellant is aangevoerd, is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van genoemd rapport van de bezwaarverzekeringsarts. Appellant heeft geen verlies aan verdiencapaciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/672 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 16 december 2010, 09/850 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant], thans wonende te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Glas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.H.M.A. Swarts.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 30 november 2012. Voor appellant is verschenen mr. De Glas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1. Van toepassing zijn de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2.1. Appellant heeft met een op 11 februari 2009 ondertekend en op 6 maart 2009 bij het Uwv ontvangen formulier een Wajong-uitkering aangevraagd. Appellant was op dat moment

40 jaar oud.

2.2. Bij beslissing op bezwaar van 6 november 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 8 juli 2009 gehandhaafd om aan appellant geen Wajong-uitkering toe te kennen op de grond dat appellant op 25 juli 1986 (zijn achttiende verjaardag) minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

3. De rechtbank heeft het hiertegen door appellant ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

4.1. Appellant heeft zich in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, op het standpunt gesteld dat zijn beperkingen zijn onderschat. Met name op het gebied van sociaal functioneren doet de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), die is opgemaakt door een verzekeringsarts van het Uwv, onvoldoende recht aan de psychische beperkingen die bij appellant reeds ten tijde van de datum in geding bestaan en die hem beletten gangbare arbeid te verrichten.

4.2. Ter zitting van de Raad van 3 augustus 2012 heeft het Uwv zich nader op het standpunt gesteld dat de medische en de arbeidskundige beoordeling van de aan de orde zijnde aanvraag niet met elkaar in overeenstemming zijn. De medische beoordeling is gericht op de 18e verjaardag van appellant in 1986, terwijl de arbeidskundige beoordeling is gericht op gangbare functies die beschikbaar waren in de jaren 2008/2009. Vervolgens is de behandeling van het geding op verzoek van het Uwv geschorst om de bezwaarverzekeringsarts in de gelegenheid te stellen alsnog te beoordelen welke beperkingen appellant had in 2008, een jaar voor het indienen van zijn aanvraag.

4.3. Bij brief van 6 september 2012 heeft het Uwv de Raad in kennis gesteld van de gewijzigde motivering van het bestreden besluit. Thans stelt het Uwv zich op het standpunt dat appellant geen recht heeft op een Wajong-uitkering omdat hij met ingang van 6 maart 2008, één jaar voor de ontvangst van zijn aanvraag, minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht.

4.4. Eerder is vastgesteld dat appellant voor zijn 17e verjaardag beperkingen had en dat hij deze op zijn 18e verjaardag, 25 juli 1986, nog had. Omdat de aanvraag van appellant op

6 maart 2009 is ontvangen, kan een uitkering niet eerder dan 6 maart 2008 ingaan behoudens de situatie dat sprake is van een bijzonder geval. In dit verband verwijst het Uwv naar de uitspraak van de Raad van 29 april 2008, LJN BD1411.

De bezwaarverzekeringsarts heeft de belastbaarheid van appellant voor arbeid per

6 maart 2008 vastgesteld. Het Uwv verwijst naar het rapport van 15 augustus 2012 en naar de FML van die datum die geldig is vanaf 6 maart 2008. In haar nadere rapport van 27 augustus 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat zij geen, dan wel onvoldoende, aanwijzingen heeft om aan te nemen dat er sprake is van een zogenoemd bijzonder geval. Zij motiveert waarom zij in het dossier geen reden ziet om te denken dat appellant pas op latere leeftijd duidelijk zicht heeft gekregen op zijn beperkingen. Appellant had daarom tijdig een Wajong-uitkering kunnen aanvragen.

Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige op 21 augustus 2012 gerapporteerd dat appellant met inachtneming van de voor hem geldende beperkingen op 6 maart 2008 in staat wordt geacht om gangbare functies te verrichten en daarmee een loon te verdienen dat hoger is dan het maatmaninkomen, zodat er geen verlies aan verdiencapaciteit is en hij niet arbeidsongeschikt wordt geacht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft daartoe het CBBS geraadpleegd op de datum 6 maart 2008, zodat de functies aanwezig zijn op de arbeidsmarkt op het beoordeelde moment.

4.5. Appellant heeft bij brief van 13 november 2012 gereageerd op de gewijzigde motivering van het bestreden besluit. Hij stelt zich op het standpunt dat er in zijn geval wel degelijk aanleiding bestaat tot het aannemen van een bijzonder geval gelet op de bestaande psychiatrische problematiek, waarvan de ernst pas duidelijk is geworden na het starten van de behandeling in 2008 door de psychiater drs. J. van Marle, verbonden aan het Forensisch

ACT-team GGZ Drenthe. Onder deze omstandigheden bestaat aanleiding het recht op Wajong-uitkering te beoordelen per 25 juli 1986.

4.6. Gelet op de aanwezige psychiatrische problematiek is appellant de mening toegedaan dat de noodzaak tot intensieve begeleiding op de werkplek ten onrechte door de verzekeringsartsen wordt ontkend. Voorts acht hij zich meer beperkt op voetbelastende factoren dan in de FML opgenomen. Hij acht zich dan ook ongeschikt voor de hem voorgehouden functies van sorteerder/controleur, productiemedewerker voedingsmiddelen, inpakker en de reservefunctie samensteller metaalwaren wegens overschrijding van zijn belastbaarheid op de gezichtspunten klimmen, staan en tillen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Aangezien het Uwv de motivering van het bestreden besluit, zoals dat door de rechtbank is beoordeeld, niet handhaaft, dienen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, voor zover het de oorspronkelijke motivering betreft, te worden vernietigd. Er is echter aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, zoals dat in hoger beroep is gewijzigd, in stand kunnen blijven.

5.2. Artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de Wajong bepaalt dat jonggehandicapte is degene die op de dag waarop hij 17 jaar wordt arbeidsongeschikt is. Ingevolge artikel 6 van de Wajong heeft de jonggehandicapte recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering zodra hij onafgebroken 52 weken, onmiddellijk volgend op de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, bedoelde dag, arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van dat tijdvak nog arbeidsongeschikt is. Artikel 29, eerste lid, van de Wajong bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat op de dag, met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet. Het tweede lid van dit artikel schrijft, in afwijking van het eerste lid, voor dat de uitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag om toekenning van de uitkering werd ingediend. Het Uwv kan voor bijzondere gevallen hiervan afwijken. Uit jurisprudentie van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 februari 2010, LJN BL5751, blijkt dat de Raad een bijzonder geval aanwezig acht indien de betrokkene ter zake van de te late aanvraag redelijkerwijs geacht moet worden niet in verzuim te zijn geweest. Dit kan het geval zijn indien de vraag of bij de betrokkene eerst op een later tijdstip een duidelijk zicht is ontstaan op de ernst van de aandoeningen en de gevolgen daarvan voor de arbeidsgeschiktheid bevestigend moet worden beantwoord.

5.3. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 27 augustus 2012 op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat er in het geval van appellant geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die het aannemen van een bijzonder geval rechtvaardigen. Met name de omstandigheid dat appellant ten tijde van zijn 17e en 18e verjaardag regelmatig contact heeft gehad met professionele hulpverleners, is daarbij van zwaarwegende betekenis.

Hetgeen namens appellant nog is aangevoerd in de brief van 13 november 2012 bevat geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts. Het Uwv heeft bij de nadere beoordeling van de aanspraak van appellant kunnen uitgaan van een mogelijke ingangsdatum gelegen niet eerder dan één jaar voor de ontvangst van de aanvraag om een Wajong-uitkering.

5.4. Uit de beschikbare medische stukken is niet gebleken dat het nadere onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot de datum 6 maart 2008 onzorgvuldig is uitgevoerd of is gebaseerd op onjuiste medische gegevens. In de door de bezwaarverzekeringsarts aangepaste FML, geldig vanaf 6 maart 2008, is de belastbaarheid van appellant vastgelegd. Op psychisch gebied zijn beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren en sociaal functioneren. Over de lichamelijke belastbaarheid van appellant heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 15 augustus 2012 opgemerkt dat zij appellant slechts beperkt acht voor voetbelastende factoren voor zover die de normaalwaarden van de FML te boven gaan.

5.5. Hetgeen namens appellant in de brief van 13 november 2012 en ter zitting nog is aangevoerd, is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van genoemd rapport van de bezwaarverzekeringsarts. De rapportage van de psychiater Van Marle biedt onvoldoende concrete aanknopingspunten voor de gestelde noodzaak van intensieve begeleiding in de werksituatie.

De gronden die zien op - in de visie van appellant - in de functies voorkomende overschrijdingen van zijn belastbaarheid op de aspecten klimmen, staan en tillen slagen niet nu appellant op die aspecten niet beperkt is.

5.6. Uitgaande van de in de FML, zoals geldig vanaf 6 maart 2008, vastgelegde beperkingen heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 21 augustus 2012 op inzichtelijke wijze uiteengezet dat appellant geschikt is voor het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan de functies sorteerder/controleur (SBC-code 111340), productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (SBC-code 111172) en inpakker (handmatig) (SBC-code 111190).

5.7. Met deze functies heeft appellant geen verlies aan verdiencapaciteit, zodat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, waarbij het Uwv de aanvraag van appellant voor een Wajong-uitkering heeft afgewezen omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt is, in stand blijven.

6. Er zijn termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op

€ 944,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep, op € 1.416,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 48,54 aan reiskosten in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit van 6 november 2009;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

-veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 2.408,54 te betalen aan de griffier van de Raad;

-bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2013.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) J.R. Baas

TM