Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8134

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2013
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
12-3302 AOW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:2146, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening van zijn ouderdomspensioen, omdat hij en zijn echtgenote geheel apart wonen en elkaar niet verzorgen. Dit verzoek is door Svb afgewezen.

Raad: Appellant betoogt onder meer dat het onbegrijpelijk is dat, omdat ongehuwd samenwonenden gelijk worden gesteld met gehuwden, gehuwde personen met een eigen huishouding niet gelijk worden gesteld met ongehuwde personen met een LAT-relatie. Hij betoogt dat hij evenmin als de niet-samenwonende ongehuwde persoon de mogelijkheid heeft om woonkosten en overige kosten te delen, maar niettemin een lager pensioen ontvangt dan de ongehuwde persoon.

De Raad vat het betoog van appellante op als een beroep op het in verdragen vastgelegde discriminatieverbod. Vooropgesteld moet worden dat dit discriminatieverbod niet meebrengt dat elke ongelijke behandeling van gelijke gevallen verboden is, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij verdient opmerking dat op het gebied van de sociale zekerheid en sociale verzekering aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, en, in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. In onderdeel 4.5 van de conclusie van de advocaat-generaal bij het arrest van de Hoge Raad van 11 juni 2010 ( LJN: BL7267) is beschreven dat het onderhavige verschil in behandeling tussen gehuwden en ongehuwden verband houdt met het feit dat echtgenoten op grond van het BW een afdwingbare zorgverplichting jegens elkaar hebben. De sociaal-economische band tussen echtgenoten die onder meer hieruit voortvloeit, is in zijn algemeenheid dwingender en hechter dan die tussen ongehuwden. Evenals de Hoge Raad in zijn arrest van 11 juni 2010 is de Raad dan ook van oordeel dat gelet hierop niet kan worden gezegd dat - indien al sprake is van gelijke gevallen - de wetgever de hem toekomende beoordelingsvrijheid heeft overschreden door het onderhavige onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden te maken. Ook in zoverre faalt het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3302 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2012, 11/5018 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 10 januari 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2012. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in [geboortejaar], is sinds [datum] gehuwd met [echtgenote] (echtgenote), geboren in [geboortejaar]. Appellant ontvangt vanaf september 2010 een gehuwdenpensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 augustus 2010 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit zijn geen verdere rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Bij brief van 27 december 2010 heeft appellant verzocht om herziening van zijn ouderdomspensioen in die zin dat appellant vanaf 1 januari 2011 in aanmerking wil komen voor een ongehuwdenpensioen, omdat hij en zijn echtgenote vanaf die datum geheel apart wonen en elkaar niet verzorgen. Tussen hen bestaat uitsluitend nog een zogenoemde LAT-relatie.

2.1. Bij besluit van 4 juli 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 oktober 2011 (bestreden besluit I), heeft de Svb dit verzoek afgewezen. Daarbij heeft de Svb het standpunt ingenomen dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn op grond waarvan appellant vanaf 1 januari 2011 in aanmerking komt voor een ongehuwdenpensioen. Appellant heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

2.2. Hangende dit beroep heeft de Svb bij besluit van 25 januari 2012 (bestreden besluit II) bestreden besluit I ingetrokken en het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2011 ongegrond verklaard. Hieraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat appellant en zijn echtgenote na 1 januari 2011 niet duurzaam gescheiden leven, zodat er geen aanleiding bestaat het pensioen van appellant te wijzigen.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij geoordeeld dat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die nopen tot de conclusie dat appellant thans wel duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. De rechtbank heeft het bestreden besluit II opgevat als een nadere motivering van het bestreden besluit I.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Bestreden besluit II treedt in de plaats van bestreden besluit I en komt niet geheel aan het beroep van appellant tegemoet. De rechtbank had het beroep van appellant tegen besluit I ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht moeten achten tegen bestreden besluit II. Door in beroep uitsluitend een oordeel te geven over de rechtmatigheid van bestreden besluit I heeft de rechtbank de omvang van het geding niet juist vastgesteld en daarmee in strijd gehandeld met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.

4.2. Uit 4.1 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaren, aangezien appellant bij de beoordeling van bestreden besluit I geen belang meer heeft. Geen aanleiding bestaat de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank. Daartoe is van belang dat bestreden besluit II ter zitting van de Raad uitvoerig is besproken met partijen, partijen een eindoordeel wensen en de Raad zelf een inhoudelijk oordeel kan geven over de zaak.

4.3. Het verzoek om herziening van appellant heeft uitsluitend betrekking op de toekomst, zodat van een situatie als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb geen sprake is. Naar vaste rechtspraak (CRvB 24 januari 2008, LJN BC3522) ligt het in het onderhavige geval, waarbij er sprake is van een geldend recht op gehuwdenpensioen, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor een ongehuwdenpensioen in aanmerking te komen.

4.4. In artikel 1 van de AOW is, voor zover hier van belang, bepaald:

3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;

b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.5. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 25 mei 2012, LJN BW7183 en BW8122) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden van het geval. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 31 januari 2008, LJN BC4413), kan in het algemeen worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokkenen de intentie hebben - al dan niet op termijn - een echtelijke samenleving aan te gaan, maar dat niet valt uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven moet worden gesproken mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt.

4.6. Appellant betoogt dat hij en zijn echtgenote beschikken over zelfstandige woonruimte, dat hij niet heeft samengewoond en niet van plan is samen te gaan wonen met zijn echtgenote en daarom voor de toepassing van de AOW niet als gehuwde, maar als ongehuwd moet worden aangemerkt.

4.7. Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Anders dan bij de gezamenlijke huishouding, voor welk bestaan ingevolge het vierde lid het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning (samenwonen) een noodzakelijke voorwaarde is, is voor duurzaam gescheiden leven niet doorslaggevend of de echtgenoten al dan niet samenwonen. De vraag of appellant en zijn echtgenote beschikken over zelfstandige woonruimte behoeft daarom hier geen beantwoording. Bepalend is, gelet op hetgeen onder 4.5 is overwogen, of de echtelijke samenleving al dan niet verbroken is. Die echtelijke samenleving kan bestaan zonder dat van samenwonen sprake is. Appellant heeft aangegeven dat hij met zijn echtgenote een zogenoemde LAT-relatie heeft en dat zij in de zomer drie maanden gezamenlijk in een vakantiehuisje verblijven. Hieruit volgt dat de echtelijke samenleving niet is verbroken zodat niet gezegd kan worden dat appellant en zijn echtgenote duurzaam gescheiden leven. In zoverre faalt het hoger beroep.

4.8. Appellant betoogt verder dat het onbegrijpelijk is dat, omdat ongehuwd samenwonenden gelijk worden gesteld met gehuwden, gehuwde personen met een eigen huishouding niet gelijk worden gesteld met ongehuwde personen met een LAT-relatie. Hij betoogt dat hij evenmin als de niet-samenwonende ongehuwde persoon de mogelijkheid heeft om woonkosten en overige kosten te delen, maar niettemin een lager pensioen ontvangt dan de ongehuwde persoon.

4.9. De Raad vat het betoog van appellante op als een beroep op het in verdragen vastgelegde discriminatieverbod. Vooropgesteld moet worden dat dit discriminatieverbod niet meebrengt dat elke ongelijke behandeling van gelijke gevallen verboden is, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij verdient opmerking dat op het gebied van de sociale zekerheid en sociale verzekering aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, en, in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. In onderdeel 4.5 van de conclusie van de advocaat-generaal bij het arrest van de Hoge Raad van 11 juni 2010, LJN BL7267, is beschreven dat het onderhavige verschil in behandeling tussen gehuwden en ongehuwden verband houdt met het feit dat echtgenoten op grond van het Burgerlijk Wetboek een afdwingbare zorgverplichting jegens elkaar hebben. De sociaal-economische band tussen echtgenoten die onder meer hieruit voortvloeit, is in zijn algemeenheid dwingender en hechter dan die tussen ongehuwden. Evenals de Hoge Raad in zijn arrest van 11 juni 2010 is de Raad dan ook van oordeel dat gelet hierop niet kan worden gezegd dat - indien al sprake is van gelijke gevallen - de wetgever de hem toekomende beoordelingsvrijheid heeft overschreden door het onderhavige onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden te maken. Ook in zoverre faalt het hoger beroep.

4.10. Appellant betoogt verder dat de voorlichting van de Svb onvoldoende en onduidelijk is op grond waarvan bij appellant de verwachting is gewekt dat als hij en zijn echtgenote geen gezamenlijk hoofdverblijf hebben, hij in aanmerking komt voor een ongehuwdenpensioen. Bij een juiste en volledige voorlichting had appellant zijn woon- en leefsituatie kunnen aanpassen. Appellant verzoekt over de periode van 1 januari 2011 tot 22 november 2012 (datum zitting) compensatie ter hoogte van het verschil tussen het gehuwdenpensioen en het ongehuwdenpensioen.

4.11. De Raad vat het betoog van appellant op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 19 november 2009, LJN BK4735) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van de betrokkene uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

4.12. Wat betreft de hier te beoordelen periode van 1 januari 2011 tot 4 juli 2011 is niet komen vast te staan dat de Svb zodanige verwachtingen bij appellant heeft gewekt dat daarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel jegens de Svb kan worden gebaseerd. Dat de algemene voorlichting van de Svb over de vraag wanneer sprake is van duurzaam gescheiden leven, zoals ter zitting besproken, beperkt is, maakt het voorgaande niet anders, nu er geen toezeggingen als bedoeld in 4.11 aan appellant zijn gedaan. De periode vanaf 4 juli 2011, zijnde de datum van het primaire besluit, valt buiten de hier te beoordelen periode. Overigens kon appellant na dit besluit niet langer ervan uitgaan dat zijn interpretatie van de algemene voorlichting van de Svb zonder meer juist is en kon appellant zijn woon- en leefsituatie afstemmen. Dit betekent dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt en het hoger beroep ook in zoverre faalt.

4.13. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat bestreden besluit II in rechte stand houdt zodat het beroep ongegrond verklaard moet worden. Daarom kan het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade niet worden toegewezen.

4.14. Van voor in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2011 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 januari 2012 ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- bepaalt dat de Svb aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,--

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.C. Oomkens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.