Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8116

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
10-1200 MPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering militair invaliditeitspensioen. De medisch adviseur heeft in zijn verzoek aan de door hem ingeschakelde deskundigen niet alleen melding heeft gemaakt van de bevindingen van zijn eigen onderzoek, maar ook op een enigszins suggestieve wijze de impact van de zaak heeft geschetst. Daarmee is echter niet gezegd dat het onderzoek door de deskundigen reeds hierom niet objectief is geweest. Evenmin zijn daarvoor aanwijzingen te vinden in het rapport zelf. Voldoende zorgvuldig onderzoek. Geen relevante aanwijzingen gevonden voor het bestaan van een PTSS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1200 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 januari 2010, 08/4672 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 7 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.H.M. Geraedts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Geraedts. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Geldof van Doorn.

OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

2.1. Appellant, geboren in [geboortejaar], is van 10 januari 1984 tot 14 januari 1999 als militair in dienst geweest bij de Koninklijke Marine. In 1993 is appellant uitgezonden geweest naar [D.]. Appellant is op zijn verzoek eervol ontslagen uit de zeedienst.

2.2. Namens appellant is op 19 januari 2005 verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen in verband met mogelijke aanwezigheid van een posttraumatische stress-stoornis (PTSS). Daarbij is gewezen op de uitzending naar [D.] en de ervaringen die appellant daar heeft opgedaan. Ook is melding gemaakt van een door appellant in [in] gepleegd misdrijf, waarbij hij zijn gewezen vriendin en drie van haar familieleden heeft gedood. In verband hiermee is appellant veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf en TBS.

2.3. Naar aanleiding van zijn verzoek is appellant op 23 maart 2005 onderzocht door P.G. Verkerk, medisch adviseur van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). Op verzoek van die medisch adviseur is appellant vervolgens onderzocht door de psychiaters prof. dr. R.J. van den Bosch, J.H.M. van Laarhoven en M.J. van Weers. Deze deskundigen konden bij appellant geen relevante aanwijzingen vinden voor het bestaan van een PTSS of andere psychiatrische ziektebeelden. Wel waren er sterke aanwijzingen voor een narcistische persoonlijkheidsstoornis.

2.4. Bij besluit van 10 januari 2006 heeft de minister geweigerd appellant een militair invaliditeitspensioen toe te kennen. Bij het bestreden besluit van 22 mei 2008 heeft de minister het tegen het besluit van 10 januari 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat niet kan worden aangenomen dat appellant lijdt aan een PTSS die in relatie staat tot de uitoefening van de militaire dienst.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Op basis van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische gegevens kon de rechtbank niet anders dan concluderen dat de minister terecht heeft geweigerd appellant een militair invaliditeitspensioen toe te kennen. Aanwijzingen voor het bestaan van een PTSS waren er volgens de rechtbank niet. Daarbij achtte de rechtbank van belang dat appellant zijn stelling dat hij lijdt aan PTSS als gevolg van de gebeurtenissen tijdens zijn militaire dienst niet met medische gegevens heeft onderbouwd.

4.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd recht te hebben op een eerlijke en objectieve behandeling van de door hem ingediende aanvraag. Volgens hem kan in deze zaak niet worden gesproken van een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek, gelet op de vraagstelling van de medisch adviseur aan de deskundigen. Volgens appellant is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan zijn beroep op schending van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook kan appellant zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat hij zijn stelling te lijden aan een PTSS niet met medische gegevens heeft onderbouwd. Appellant heeft er daarbij op gewezen dat hij momenteel geen bron van inkomsten heeft en ook niet de mogelijkheid heeft om een contra-expertise te laten uitvoeren. Naar de mening van appellant had de rechtbank niet voorbij kunnen gaan aan zijn verzoek om een nader onderzoek te gelasten door een of meer onafhankelijke deskundigen, bij voorkeur op het gebied van PTSS bij (ex-)militairen.

4.2. De minister heeft zich in het verweerschrift achter de aangevallen uitspraak geschaard.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Aan appellant kan worden toegegeven dat medisch adviseur Verkerk in zijn verzoek aan de door hem ingeschakelde deskundigen niet alleen melding heeft gemaakt van de bevindingen van zijn eigen onderzoek, maar ook op een enigszins suggestieve wijze de impact van de zaak heeft geschetst. Van dit laatste had de medisch adviseur zich dienen te onthouden. Daarmee is echter niet gezegd dat het onderzoek door de deskundigen reeds hierom niet objectief is geweest. Evenmin zijn daarvoor aanwijzingen te vinden in het rapport zelf. De aan de deskundigen gestelde vragen zijn op zichzelf geformuleerd op de in dit soort zaken gebruikelijke, neutrale wijze. Verder kan er niet aan worden voorbijgezien dat appellant, uit zorgvuldigheidsoogpunt, is onderzocht door drie deskundigen, die ook voldoende gekwalificeerd zijn te achten om - geheel los van de medisch adviseur - tot een eigen oordeel te komen. Appellant wordt dan ook niet gevolgd in zijn stelling dat hij geen eerlijke kans heeft gekregen in deze procedure. Van schending van artikel 6, dan wel artikel 13, van het EVRM is geen sprake geweest.

5.2. De drie door de minister ingeschakelde deskundigen hebben geen relevante aanwijzingen gevonden voor het bestaan van een PTSS. Zij hebben dit inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd in een rapport dat blijk geeft van voldoende zorgvuldig onderzoek. Evenmin zijn tijdens het onderzoek door het Pieter Baancentrum aanwijzingen voor een PTSS gevonden. De door appellant ingebrachte psychologische rapportages bieden onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de conclusies van voornoemde deskundigen. De rechtbank behoefde hierin geen reden te zien - en ook de Raad ziet deze niet - voor inschakeling van een onafhankelijk deskundige. Die reden is ook niet gelegen in de omstandigheid dat het appellant zelf aan financiële middelen ontbreekt voor het laten uitvoeren van een contra-expertise. Appellant had ook op een andere wijze dan door middel van een volledige contra-expertise nader kunnen trachten te onderbouwen waarom de conclusies van de ingeschakelde deskundigen naar zijn mening twijfel oproepen.

5.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) A.C. Oomkens