Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8082

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
11-3074 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WW-uitkering. Oplegging boete. Geen toestemming om met behoud van de WW-uitkering een eigen bedrijf te starten. Appellant had redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat alle uren die besteed werden aan activiteiten die verband hielden met zijn werkzaamheden als zelfstandige aan het Uwv moesten worden doorgegeven. Appellant heeft niet gemeld dat hij gestart is met de werkzaamheden en zijn onderneming heeft ingeschreven bij de KvK. Schending inlichtingenverplichting. Het recht op WW-uitkering is geëindigd omdat appellant voor het aantal als zelfstandige gewerkte uren blijvend zijn werknemerschap heeft verloren. Verwijtbaar, opgelegde boete evenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3074 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 12 mei 2011, 10/305 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 9 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2012. Appellant is verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 1 december 2008 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) op basis van een gemiddeld arbeidsurenverlies van 40 uur per week.

1.2. Bij besluit van 30 november 2009 heeft het Uwv, op basis van een rapport van 11 november 2009, de WW-uitkering van appellant met ingang van 16 december 2008 voor 20 uur per week herzien wegens door appellant verrichte werkzaamheden als zelfstandige. Met ingang van 27 maart 2009 is de WW-uitkering ingetrokken omdat appellant vanaf deze datum volgens het Uwv volledig werkzaam is (geweest) als zelfstandige. De over de periode van 16 december 2008 tot en met 8 november 2009 volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering tot een bedrag van € 20.769,56 is van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 15 december 2009 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 2.080,- wegens overtreding van de inlichtingenverplichting. Appellant heeft tegen de besluiten van 30 november 2009 en 15 december 2009 bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 16 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten genoemd in 1.2 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet aan het Uwv te melden dat hij als zelfstandige werkzaam was en ook niet het juiste aantal als zelfstandige gewerkte uren aan het Uwv door te geven. Gelet hierop heeft het Uwv volgens de rechtbank terecht de WW-uitkering van appellant met ingang van 16 december 2008 herzien en met ingang van 27 maart 2009 ingetrokken en de ten onrechte betaalde uitkering teruggevorderd. Over de boete heeft de rechtbank overwogen dat er sprake is van objectieve en subjectieve verwijtbaarheid. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank de boete terecht vastgesteld op € 2.080,-.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het onjuist is dat zijn uitkering is ingetrokken nadat hij in één week 40 uur als zelfstandige heeft gewerkt. Appellant heeft maar een geringe omzet gemaakt en is beschikbaar gebleven voor de arbeidsmarkt. Volgens appellant is hij door het Uwv onvoldoende voorgelicht over het feit dat de als zelfstandige gewerkte uren blijvende consequenties hebben voor het recht op WW-uitkering. In dit verband heeft appellant verwezen naar het rapport “ZZP’ers met een valse start” van de Nationale Ombudsman.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de overwegingen 5 en 13 van de aangevallen uitspraak.

4.3.1. Bij besluit van 9 april 2009 heeft het Uwv appellant geen toestemming verleend om met behoud van zijn WW-uitkering een eigen bedrijf te starten. In dit besluit is appellant erop gewezen dat als hij toch start met zijn eigen bedrijf, het Uwv de WW-uitkering moet beëindigen voor het aantal uren dat hij als zelfstandige werkt. Naar aanleiding van het op

15 juni 2009 door appellant opgegeven aantal als zelfstandige gewerkte uren heeft het Uwv bij besluit van 22 juni 2009 de WW-uitkering van appellant met ingang van 12 januari 2009 beëindigd voor vijf uren per week. In dit besluit is appellant meegedeeld dat hij alle uren die hij aan zijn bedrijf besteedt, ook reistijd en uren die worden besteed aan administratie, moet doorgeven aan het Uwv en dat hij over deze uren blijvend geen uitkering meer krijgt. Op grond van deze informatie had het appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat alle uren die besteed werden aan activiteiten die verband hielden met zijn werkzaamheden als zelfstandige aan het Uwv moesten worden doorgegeven. De verwijzing van appellant naar het onder 3 genoemde rapport van de Nationale Ombudsman treft geen doel.

4.3.2. Appellant heeft op 8 september 2009 tegenover twee inspecteurs van het Uwv verklaard dat hij op 16 december 2008 daadwerkelijk is gestart met zijn werkzaamheden als zelfstandige en dat hij op 1 januari 2009 zijn onderneming heeft laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel. Dit heeft hij niet aan het Uwv gemeld. Op 6 november 2009 heeft appellant tegenover twee inspecteurs van het Uwv erkend dat hij in april 2009 40 uur per week als zelfstandige heeft gewerkt. Door tot 15 juni 2009 geen melding te maken van zijn als zelfstandige gewerkte uren en op 15 juni 2009 schriftelijk te verklaren dat hij vijf uur per week als zelfstandige heeft gewerkt, is appellant zijn inlichtingenverplichting niet nagekomen.

4.4. Voor de vaststelling van de omvang van de werkzaamheden als zelfstandige zijn volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 14 juli 2004, LJN AR1541) niet alleen de gefactureerde uren van belang, maar ook de uren die besteed zijn aan administratie, reistijd en dergelijke (zogenoemde indirecte uren). Het Uwv heeft het aantal als zelfstandige gewerkte uren over de periode van 16 december 2008 tot 27 maart 2009 geschat op 20 uur per week. Daarbij heeft het Uwv zich gebaseerd op de door appellant tijdens het fraudeonderzoek afgelegde verklaringen, de door hem verzonden facturen en zijn kilometeradministratie. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze schatting van het Uwv onjuist is. Op

6 november 2009 heeft appellant verklaard dat hij in april 2009 40 uur per week heeft gewerkt. Op basis van deze verklaring heeft het Uwv terecht bepaald dat het recht op WW-uitkering met ingang van 27 maart 2009 is geëindigd. Dat appellant naast zijn werkzaamheden als zelfstandige volledig beschikbaar zou zijn geweest voor arbeid doet hieraan niet af. Het recht op WW-uitkering is geëindigd omdat appellant voor het aantal als zelfstandige gewerkte uren blijvend zijn werknemerschap heeft verloren.

4.5. Uit de overwegingen 4.3 en 4.4 volgt dat het Uwv terecht de WW-uitkering van appellant met ingang van 16 december 2008 heeft herzien voor 20 uur per week en met ingang van 27 maart 2009 de WW-uitkering heeft ingetrokken wegens als zelfstandige gewerkte uren. Het Uwv is vervolgens gehouden om de over de periode van 16 december 2008 tot en met

8 november 2009 onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant terug te vorderen.

4.6. Gegeven hetgeen onder 4.3.1 en 4.3.2 is overwogen heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat appellant objectief en subjectief een verwijt kan worden gemaakt van het schenden van de inlichtingenverplichting. De opgelegde boete van € 2.080,- is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige ten aanzien van appellant gebleken omstandigheden.

5. Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) D.E.P.M. Bary

TM