Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8064

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
11-6575 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen dient de in artikel 62, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW neergelegde eis van “duidelijke samenhang”, gelet op de strekking van dat artikel, zeer strikt te worden uitgelegd (zie ook CRvB 22 februari 2006, LJN AV2997). Het feit dat de financiële situatie van werkgeefster ten tijde van de beëindiging van het dienstverband slecht was, is dan ook onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een duidelijke samenhang in de zin van dat artikellid. Bij gebrek aan een duidelijke samenhang tussen het overeengekomen einde van het dienstverband van appellante per 11 maart 2010 en de op 22 juni 2010 ingetreden toestand van blijvende betalingsonmacht van werkgeefster heeft het Uwv de aanvraag terecht met toepassing van artikel 62, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW afgewezen.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 62
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6575 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 september 2011, 11/220 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 9 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar vader, [naam vader]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was sedert 22 mei 2002 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam in dienst van [naam werkgeefster] (werkgeefster). Appellante ontving vanaf mei 2009 geen salaris meer. Op 11 januari 2010 hebben appellante en werkgeefster een beëindigingsovereenkomst getekend waarbij de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden met ingang van 11 maart 2010 is beëindigd. In die overeenkomst is vermeld dat werkgeefster het dienstverband wil beëindigen om bedrijfseconomische redenen.

1.2. Bij vonnis van 22 juni 2010 van de rechtbank Arnhem is werkgeefster failliet verklaard. Appellante heeft bij het Uwv een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 27 juli 2010 heeft het Uwv die aanvraag afgewezen. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Bij beslissing op bezwaar van 3 december 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft, kort gezegd, overwogen dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor de conclusie dat werkgeefster ten tijde van het ontslag van appellante reeds verkeerde in een blijvende toestand van betalingsonmacht en dat geen sprake is van een duidelijke samenhang tussen de omstandigheden die tot het einde van de dienstbetrekking hebben geleid en de betalingsonmacht van werkgeefster.

2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat werkgeefster op 11 maart 2010 of eerder niet in een blijvende toestand van betalingsonmacht als bedoeld in artikel 61 van de WW verkeerde. Met het Uwv heeft de rechtbank voorts geoordeeld dat een duidelijke samenhang tussen het ontslag van appellante op 11 maart 2010 en een toestand dat werkgeefster heeft opgehouden te betalen onvoldoende is aangetoond.

3. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat er wel eerder dan de faillissementsdatum sprake was van betalingsonmacht van werkgeefster en van een duidelijke samenhang tussen het einde van het dienstverband en die betalingsonmacht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Op grond van artikel 61 van de WW heeft een werknemer recht op uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW, indien hij van een werkgever die in staat van faillissement is verklaard of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld of vakantiebijslag te vorderen heeft.

4.1.2. Op grond van artikel 62, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW heeft de werknemer wiens dienstbetrekking met de werkgever reeds was geëindigd voordat de werkgever kwam te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61, geen recht op een uitkering op grond van Hoofdstuk IV, tenzij een duidelijke samenhang bestaat tussen de omstandigheden die tot het eindigen van de dienstbetrekking leidden en de omstandigheden die tot die toestand hebben geleid.

4.2. Met het faillissement van 22 juni 2010 is gegeven dat op die datum in ieder geval een toestand van blijvende betalingsonmacht bij werkgeefster is ingetreden. Weliswaar was de financiële situatie in de aanloop naar het faillissement slecht en werd deze in de loop der tijd steeds slechter, maar daaruit volgt niet dat in maart 2010 al sprake was van een volledige en blijvende betalingsonmacht van werkgeefster. Afgezien van appellante is het loon van het vaste personeel immers tot en met 31 mei 2010 uitbetaald en dat van de uitzendkrachten tot en met 18 juni 2010. Verder zijn door werkgeefster tot en met 2 juni 2010 pensioenpremies afgedragen en zijn eerst vanaf 1 juni 2010 geen representatiekosten meer betaald. Tenslotte heeft werkgeefster nog op 21 juni 2010 een betaling van € 3.495,- aan appellante gedaan. Dat deze betaling met een krediet werd gefinancierd, doet er niet aan af dat werkgeefster op dat moment nog over betalingsmogelijkheden beschikte. Er is dan ook geen aanleiding om als datum van het intreden van de blijvende betalingsonmacht een andere dag dan 22 juni 2010 aan te nemen.

4.3. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen dient de in artikel 62, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW neergelegde eis van “duidelijke samenhang”, gelet op de strekking van dat artikel, zeer strikt te worden uitgelegd (zie ook CRvB 22 februari 2006, LJN AV2997). Het feit dat de financiële situatie van werkgeefster ten tijde van de beëindiging van het dienstverband slecht was, is dan ook onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een duidelijke samenhang in de zin van dat artikellid. Bij gebrek aan een duidelijke samenhang tussen het overeengekomen einde van het dienstverband van appellante per 11 maart 2010 en de op 22 juni 2010 ingetreden toestand van blijvende betalingsonmacht van werkgeefster heeft het Uwv de aanvraag terecht met toepassing van artikel 62, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW afgewezen.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) D.E.P.M. Bary

QH