Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8061

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
11-6269 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekening onverschuldigd betaalde ZW-uitkering met de WW-uitkering. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6269 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 september 2011, 11/250 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 9 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was in dienst bij [naam werkgever]. In verband met een ziekmelding heeft het Uwv, in afwachting van de uitkomst van een onderzoek naar de vraag of [werkgever] een loondoorbetalingsverplichting had, appellant per 29 maart 2010 een voorschot op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Omdat uit het onderzoek is gebleken dat [werkgever] een loondoorbetalingsverplichting had en (dus) geen recht op ZW-uitkering bestond, heeft het Uwv bij besluit van 14 juni 2010 het over de periode van 29 maart 2010 tot en met 31 mei 2010 betaalde voorschot ter hoogte van € 3.660,68 bruto (€ 2.920,65 netto) als onverschuldigd betaald van appellant teruggevorderd. Appellant heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen dit besluit.

1.3. Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het Uwv appellant verzocht het onverschuldigd betaalde bedrag van € 3.660,68 bruto terug te betalen, of contact op te nemen in verband met een mogelijk te treffen betalingsregeling. Op 6 juli 2010 heeft appellant telefonisch contact opgenomen met het Uwv met de mededeling dat hij dat bedrag niet kon terugbetalen omdat hij op dat moment geen inkomen had. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv appellant op 6 juli 2010 een formulier “Inkomens- en vermogensonderzoek” toegezonden, met het verzoek dit formulier in te vullen en voor 6 augustus 2010 terug te sturen. Appellant heeft dit niet gedaan, en ook na aanmaningen van 6 oktober 2010 en 27 oktober 2010 geen contact opgenomen met het Uwv met het verzoek een betalingsregeling te treffen.

1.4. Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft het Uwv appellant met ingang van 1 juli 2010 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). In verband hiermee heeft het Uwv appellant op 7 oktober 2010 een bedrag van € 3.359,33 netto uitbetaald over de periode van 28 juni 2010 tot en met 19 september 2010.

1.5. Bij besluit van 9 november 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat het onverschuldigd betaalde bedrag van € 2.920,65 netto nog niet terugbetaald was en dat appellant nog geen redelijk betalingsvoorstel gedaan had. Het Uwv heeft appellant meegedeeld dat de vordering met een bedrag van € 1.132,- per maand verrekend zal worden met zijn WW-uitkering. Bij de vaststelling van dit bedrag heeft het Uwv geen rekening gehouden met de beslagvrije voet. Bij besluit van 15 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 november 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant zich niet gehouden aan de inlichtingenverplichting bedoeld in artikel 33, vijfde lid, en artikel 45a, vierde lid, van de ZW. Volgens de rechtbank was het Uwv op grond van artikel 45g, vierde lid, van de ZW dan ook gehouden bij de verrekening van het onverschuldigd betaalde ziekengeld met de WW-uitkering de beslagvrije voet buiten beschouwing te laten.

3. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat hij door het telefonisch contact op 6 juli 2010 heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting, omdat het Uwv vanaf dat moment op de hoogte was van het feit dat hij geen inkomen had. Appellant heeft gesteld dat het feit dat hij begin oktober 2010 een aanzienlijke nabetaling van WW-uitkering heeft ontvangen, het Uwv geen vrijbrief gaf om hem zonder enige vorm van overleg met terugwerkende kracht vanaf het moment van verrekening ieder inkomen te onthouden. Volgens appellant had het Uwv hem na deze nabetaling opnieuw een formulier “Inkomens- en vermogensonderzoek” moeten toezenden. Appellant heeft tot slot betoogd dat het Uwv eenzijdig is teruggekomen op de tijdens de hoorzitting op 2 februari 2011 gemaakte afspraak dat hij het formulier “Inkomens- en vermogensonderzoek” alsnog zou invullen en dat het Uwv het inmiddels ingehouden bedrag aan WW-uitkering zou terugstorten, waarna appellant alsnog met inachtneming van de beslagvrije voet het onverschuldigd betaalde bedrag aan ziekengeld aan het Uwv zou gaan terugbetalen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat niet het door de rechtbank genoemde artikel 45g, vierde lid, aanhef en onder b, van de ZW van toepassing is, maar artikel 45g, vierde lid, aanhef en onder a, van de ZW. Dit artikel bepaalt dat zolang de verzekerde zijn verplichting, bedoeld in artikel 45a, vierde lid, van de ZW niet, of niet behoorlijk nakomt, het Uwv in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd is tot verrekening van de bestuurlijke boete (lees hier met toepassing van artikel 33a, tweede lid, van de ZW: de onverschuldigd betaalde uitkering) voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn.

4.2.1. Appellant heeft niet voldaan aan de in artikel 45a, vierde lid, van de ZW neergelegde inlichtingenverplichting. Appellant heeft het op 6 juli 2010 aan hem toegezonden formulier “Inkomens- en vermogensonderzoek” niet teruggezonden aan het Uwv, en ook niet gereageerd op de aanmaningen van 6 oktober 2010 en 27 oktober 2010. Het enkele feit dat appellant het Uwv op 6 juli 2010 telefonisch heeft meegedeeld dat hij niet kon terugbetalen is in dit verband onvoldoende, nu het Uwv naar aanleiding van deze mededeling in het kader van het treffen van een eventuele betalingsregeling juist nadere informatie nodig had over de financiële situatie van appellant. Het Uwv was voorts niet verplicht appellant na de nabetaling op 7 oktober 2010 van € 3.359,33 nogmaals een formulier “Inkomens- en vermogensonderzoek” toe te zenden, nu in verband met de invordering van de onverschuldigd betaalde ZW-uitkering op appellant nog steeds de in artikel 45a, vierde lid, van de ZW neergelegde inlichtingenverplichting rustte.

4.2.2. Uit 4.2.1 volgt dat het Uwv op grond van artikel 45g, vierde lid, aanhef en onder a, van de ZW bevoegd was de onverschuldigd betaalde ZW-uitkering te verrekenen met de WW-uitkering van appellant zonder daarbij rekening te houden met de beslagvrije voet. Het Uwv heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken.

4.3. Het betoog van appellant dat het Uwv tijdens de hoorzitting op 2 februari 2011 het vertrouwen heeft gewekt dat de onverschuldigd betaalde ZW-uitkering op een andere manier ingevorderd zou gaan worden, slaagt niet. Op basis van de stukken is aannemelijk dat tijdens de hoorzitting is afgesproken dat het Uwv onderzoek zou gaan verrichten naar de financiële situatie van appellant, in welk kader hem een formulier “Inkomens- en vermogensonderzoek” zou worden toegezonden. Nadat tijdens dit onderzoek was gebleken dat de situatie anders was dan tijdens de hoorzitting was aangenomen, heeft het Uwv de gemachtigde van appellant direct medegedeeld dat het onderzoek naar de financiële situatie van appellant niet voortgezet zou worden. Het Uwv heeft dan ook geen in rechte te honoreren vertrouwen gewekt bij appellant.

4.4. Uit de overwegingen 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) D.E.P.M. Bary

QH