Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
11-5025 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht. De rapporten van de arbeidsdeskundige en de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn zorgvuldig tot stand gekomen en daarmee heeft het Uwv inhoudelijk overtuigend gemotiveerd dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest. Appellante blijft verantwoordelijk voor de kwaliteit van de geleverde diensten van de door haar ingeschakelde deskundigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5025 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 juli 2011, 10/7167 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 9 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Louwes, werkzaam bij Pink and Nelson B.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 28 november 2012. Voor appellante is mr. Louwes verschenen, bijgestaan door S. Wurfbain. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 9 juni 2010 heeft het Uwv het tijdvak waarin [naam werknemer] (werknemer) jegens appellante als werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd tot 15 juni 2011. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken op de grond dat door appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht, terwijl daarvoor geen deugdelijke grond aanwezig was. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van die wet.

2. Appellante heeft tegen het besluit van 9 juni 2010 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van gelijke datum ten grondslag gelegd.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 9 juni 2010 herroepen, bepaald dat het tijdvak waarin de loondoorbetalingsverplichting wordt verlengd eindigt op 23 mei 2011 en haar uitspraak in de plaats gesteld voor het vernietigde besluit. Naar het oordeel van de rechtbank - voor zover hier van belang - heeft het Uwv terecht de conclusie getrokken dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat pas veertien maanden na de ziekmelding uit een psychologisch onderzoek naar voren kwam dat er sprake zou zijn van een arbeidsconflict, terwijl werknemer toch geregeld door de bedrijfsarts is gezien. Volgens de rechtbank was in dat kader een actief beleid en een actievere rol van appellante op zijn plaats geweest, terwijl appellante in het eerste ziektejaar in het geheel geen re-integratie-inspanningen heeft verricht. Inzake het standpunt van appellante dat zij een arbeidskundig en arbeidspsychologisch onderzoek heeft laten verrichten en zij de daarin gegeven adviezen heeft opgevolgd, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 november 2009, LJN BK3713, geoordeeld dat appellante verantwoordelijk blijft voor de kwaliteit van de geleverde diensten van de door haar ingeschakelde deskundigen. Met betrekking tot de stelling van appellante dat zij vier maanden heeft moeten wachten op het door haar bij het Uwv aangevraagde deskundigenoordeel heeft de rechtbank overwogen dat appellante gedurende die periode niet is ontslagen van haar re-integratieverplichtingen.

4. Appellante heeft zich met die uitspraak niet kunnen verenigen. In hoger beroep heeft zij volledige tenietdoening van de loonsanctie en toekenning van een schadevergoeding van € 18.430,- bepleit. Voorts heeft zij om vernietiging van de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten verzocht en om veroordeling van het Uwv in de proceskosten. Daartoe is - zakelijk weergegeven - naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht nu ook volgens de rechtbank het dossier incompleet was. Appellante heeft herhaald dat het deskundigenoordeel onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat door de verzekeringsarts geen inlichtingen zijn ingewonnen bij de behandelend sector. Bovendien zijn volgens haar het vertrouwensbeginsel en het fair playbeginsel geschonden nu de uitslag van het deskundigenoordeel zonder duidelijke reden vier maanden op zich heeft laten wachten. Tot slot heeft appellante herhaald dat haar bedrijfsartsen steeds hebben aangegeven dat re-integratie van werknemer pas mogelijk was nadat zijn gezondheidstoestand zou zijn gestabiliseerd. Volgens appellante betekent een GAF-score van 70 slechts dat werknemer in staat is om inter-persoonlijke contacten aan te gaan en zegt deze score niets over het vermogen van werknemer om succesvol te kunnen re-integreren.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De stukken bieden voldoende steun voor het standpunt van het Uwv dat appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De rapporten van de arbeidsdeskundige en de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn zorgvuldig tot stand gekomen en daarmee heeft het Uwv inhoudelijk overtuigend gemotiveerd dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest. Uit geen enkel gedingstuk blijkt - en dit is ook ter zitting bevestigd - dat appellante concrete stappen heeft ondernomen om werknemer in het eerste spoor of in het tweede spoor te laten re-integreren. Ook nadat appellante bij brief van 31 maart 2010 ervan in kennis is gesteld dat op grond van het door het Uwv verrichte deskundigenonderzoek is geconcludeerd dat haar re-integratie-inspanningen ten aanzien van werknemer tot dan toe onvoldoende waren geweest, heeft appellante nagelaten om alsnog een re-integratietraject voor werknemer te starten. Het standpunt van appellante dat het deskundigenonderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen, doet niet af aan het gegeven dat appellante op geen enkele wijze tot actie is overgegaan. Aangezien appellante niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij voor het niet nakomen van haar

re-integratieverplichtingen een deugdelijke grond heeft, kan het hoger beroep niet slagen.

5.2. Met betrekking tot het standpunt van appellante dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsartsen heeft opgevolgd en dat zij dus niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de mogelijke tekortkomingen, wordt evenals de rechtbank heeft gedaan verwezen naar de uitspraak van de Raad van 18 november 2009, LJN BK3713. Hieraan wordt nog toegevoegd dat van een bedrijfsarts mag worden verwacht dat hij adequate acties richting behandelend sector onderneemt wanneer het ziektebeloop daarom vraagt. Aangezien appellante in hoger beroep geen nieuwe argumenten ter onderbouwing van haar standpunt in deze heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien om tot een andersluidend oordeel te komen.

6. Uit hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen, volgt dat het Uwv op grond van alle beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellante als werkgeefster zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Voor het toewijzen van het verzoek om schadevergoeding is derhalve geen reden. De aangevallen uitspraak moet voor zover aangevochten worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

-wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) D. Heeremans

GdJ