Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8042

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
11-2730 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag WW-uitkering op de grond dat appellant op de eerste werkloosheidsdag niet rechtmatig in Nederland verbleef. Geen sprake van een onrechtmatig besluit. Geen recht op compensatie. Appellant heeft geen (internationaal) voorschrift of beginsel kunnen noemen dat het Uwv zou verplichten een compensatie als door hem bedoeld te bieden.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2730 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 april 2011, 10/2526 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 9 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren te Ghana, had een arbeidsovereenkomst met een dienstverband voor onbepaalde tijd. Per 15 september 2009 is de arbeidsovereenkomst door opzegging door de werkgever beëindigd. Naar aanleiding daarvan heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 11 december 2009 heeft het Uwv appellant dat recht ontzegd omdat appellant geen vergunning had om in Nederland te werken. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit.

1.2. Op 11 november 2009 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning. Op 9 februari 2010 heeft de Staatssecretaris van Justitie deze aanvraag afgewezen. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing welk bezwaar ongegrond is verklaard.

1.3. Het Uwv heeft bij besluit van 10 april 2010 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 11 december 2009, onder wijziging van de motivering, ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar artikel 3, derde lid, van de WW, artikel 8, onder a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 4c van het Besluit uitbreiding en beperking verzekerden werknemersverzekeringen 1990 verbleef appellant volgens het Uwv op de eerste werkloosheidsdag niet rechtmatig in Nederland en kan hij dus geen WW-uitkering krijgen.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak is dat beroep ongegrond verklaard. Voor zover hier van belang heeft de rechtbank, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad (onder meer CRvB 26 januari 2010, LJN BL2155) overwogen dat niet aan een beoordeling wordt toegekomen van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor eigendomsontneming zoals die zijn geformuleerd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol).

3. Ter zitting heeft appellant de gronden van zijn hoger beroep toegelicht en beperkt tot de stelling dat het bestreden besluit onrechtmatig is omdat appellant geen compensatie wordt geboden nu hij geen recht op WW-uitkering heeft maar voor hem wel premies zijn afgedragen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In hoger beroep ligt thans nog slechts de grond voor dat het bestreden besluit onrechtmatig is omdat het Uwv appellant geen compensatie heeft geboden nu voor appellant geen recht op WW-uitkering bestaat maar voor hem wel premies zijn afgedragen. Zoals ter zitting is vastgesteld, erkent appellant, uitgaande van de Nederlandse regelgeving,

de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Tevens heeft hij erkend dat in artikel 1 van het Eerste Protocol, noch in enig ander internationaal voorschrift een grond is gelegen om het ontzeggen van het recht op WW-uitkering voor onrechtmatig te houden. Appellant heeft geen (internationaal) voorschrift of beginsel kunnen noemen dat het Uwv zou verplichten een compensatie als door hem bedoeld te bieden. De grond slaagt dan ook niet.

4.2. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) D.E.P.M. Bary

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip werknemer.

QH