Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8034

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
11-5866 WIJ + 12-144 WIJ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft ten onrechte een WIJ-inkomensvoorziening geweigerd. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (CRvB 24 januari 2012, LJN BV1981 en LJN BV1983) kan de weigering van een inkomensvoorziening ingevolge de WIJ niet worden gebaseerd op de grond dat degene die geen recht heeft op een werkleeraanbod dientengevolge ook geen recht heeft op een inkomensvoorziening. Artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ verzet zich niet tegen toekenning van een inkomensvoorziening aan studenten die gedurende de maximale periode studiefinanciering ingevolge de Wsf 2000 hebben ontvangen. Ten aanzien van de gestelde mogelijkheid tot het afsluiten van een geldlening bij een bank volgt de Raad appellant niet. De Raad voorziet zelf door te bepalen dat betrokkene een inkomensvoorziening toekomt naar de norm voor een alleenstaande jongere, die zich bevindt in de leeftijdscategorie 21 tot en met 26 jaar. Wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5866 WIJ, 12/144 WIJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 september 2011, 11/2312 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (appellant)

[A. te B.]

Datum uitspraak 8 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft [K.] een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 27 oktober 2011 een nader besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2012. Appellant heeft zich, ondanks een oproeping bij gemachtigde te verschijnen, niet laten vertegenwoordigen.

Betrokkene is verschenen, bijgestaan door [K.].

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, geboren [in] 1985, was ten tijde hier in geding als studerende ingeschreven bij de Universiteit van Tilburg en bezig zijn studie af te ronden. Omdat betrokkene gedurende de maximale periode studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) had ontvangen, had hij met ingang van 1 oktober 2010 geen recht meer op studiefinanciering.

1.2. Op 30 december 2010 heeft betrokkene een aanvraag ingediend om een werkleeraanbod ingevolge de Wet investeren in jongeren (WIJ). Bij besluit van 8 februari 2011 heeft appellant met toepassing van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de WIJ de aanvraag om een werkleeraanbod afgewezen op de grond dat betrokkene een opleiding volgt die door het Rijk wordt betaald. Daarnaast heeft appellant geweigerd een inkomensvoorziening toe te kennen op de grond dat degene die geen recht heeft op een werkleeraanbod ook geen recht heeft op een inkomensvoorziening.

1.3. Bij besluit van 6 april 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dit ziet op de weigering van de inkomensvoorziening, en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daaraan is, samengevat, ten grondslag gelegd dat uit de tekst van de WIJ niet kan worden afgeleid dat zonder recht op een werkleeraanbod geen recht bestaat op een inkomensvoorziening. Het door appellant eerst ter zitting van de rechtbank - subsidiair - ingenomen standpunt dat artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ zich evenzeer verzet tegen toekenning van een inkomensvoorziening omdat de Wsf 2000 als een voorliggende voorziening moet worden aangemerkt, is door de rechtbank wegens strijd met de goede procesorde buiten bespreking gelaten.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. Bij nader besluit van 27 oktober 2011 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2011 wederom ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat betrokkene geen recht heeft op een inkomensvoorziening omdat de Wsf 2000 een voorliggende voorziening is en dat binnen die wet een bewuste beslissing is genomen om de studiefinanciering aan een bepaalde termijn te binden. Appellant heeft daaraan toegevoegd dat in dit verband ook een lening bij een bank als een voorliggende voorziening, en dus als een beletsel voor toekenning van een inkomensvoorziening, heeft te gelden. Op dit besluit heeft betrokkene een reactie gegeven en daarbij tevens om vergoeding van wettelijke rente verzocht.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling waarbij hij voor de toepasselijke wetsartikelen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

De aangevallen uitspraak

5.1. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (CRvB 24 januari 2012, LJN BV1981 en LJN BV1983) kan de weigering van een inkomensvoorziening ingevolge de WIJ niet worden gebaseerd op de grond dat degene die geen recht heeft op een werkleeraanbod dientengevolge ook geen recht heeft op een inkomensvoorziening. Kortheidshalve wordt verwezen naar de rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.5 respectievelijk 4.4 tot en met 4.6 van bovengenoemde uitspraken. Hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd, wat neerkomt op dezelfde gronden die in bovengenoemde procedures naar voren zijn gebracht, geeft geen aanleiding thans anders te oordelen.

5.2. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

Het nadere besluit van 27 oktober 2011

5.3. De Raad zal het besluit van 27 oktober 2011, waarbij niet aan de bezwaren van betrokkene is tegemoetgekomen, op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in zijn beoordeling betrekken. Betrokkene heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 24 januari 2012, LJN BV1981, betoogd dat artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ geen beletsel vormt voor toekenning van een inkomensvoorziening omdat de Wsf 2000 voor hem geen voorliggende voorziening is. Voorts heeft betrokkene gesteld dat een lening bij een bank evenmin als zodanig kan worden aangemerkt.

5.4. De onder 5.3 weergegeven beroepsgrond van betrokkene treft doel. Wat de Wsf 2000 betreft heeft betrokkene terecht gewezen op de uitspraak van 24 januari 2012, LJN BV1981. In de rechtsoverwegingen 4.6.1 tot en met 4.6.3 van die uitspraak is gemotiveerd uiteengezet waarom artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ zich niet verzet tegen toekenning van een inkomensvoorziening aan studenten die gedurende de maximale periode studiefinanciering ingevolge de Wsf 2000 hebben ontvangen. Wat appellant ter zake heeft aangevoerd geeft geen aanleiding daarover thans anders te oordelen. Ten aanzien van de gestelde mogelijkheid tot het afsluiten van een geldlening bij een bank volgt de Raad appellant evenmin. Allereerst moet worden opgemerkt dat appellant hier heeft volstaan met een overweging in algemene zin zonder na te gaan of en, zo ja, in hoeverre banken bereid zijn in situaties als deze een toereikende geldlening te verstrekken. Het in dat verband gedane beroep op een tweetal uitspraken van de Raad inzake toepassing van artikel 1a van de Algemene Bijstandswet en artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de Wet werk en bijstand gaat niet op. Van belang is het daar twee specifieke gevallen betrof waarbij juist wel afspraken tussen het bijstandverlenend orgaan en banken waren gemaakt over het afsluiten van een lening voor bijzondere (opleidings)kosten. Overigens heeft betrokkene ter zitting desgevraagd medegedeeld dat hij ten tijde in geding bij verschillende banken heeft geïnformeerd en heeft getracht een lening af te sluiten voor kosten van levensonderhoud, maar dat hem dat niet is gelukt.

5.5. Uit wat onder 5.4 is overwogen vloeit voort dat het beroep tegen het nadere besluit van 27 oktober 2011 doel treft en dit besluit daarom dient te worden vernietigd.

Finale geschilbeslechting

5.6. In deze zaak is, zoals door betrokkene verzocht, finale geschillenbeslechting mogelijk, mede gelet op het verhandelde ter zitting. Daarbij wordt aangetekend dat appellant, ondanks oproeping, zich zonder bericht niet ter zitting heeft laten vertegenwoordigen, waaruit de Raad, met toepassing van artikel 8:31 van de Awb, de gevolgtrekkingen zal maken die hem geraden voorkomen.

5.7. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene per 28 maart 2011 voltijds werk heeft aanvaard, na afloop van dat werk in het buitenland heeft verbleven en vervolgens tot en met mei 2012 een stage heeft gelopen en daarvoor een stagevergoeding heeft ontvangen. Betrokkene heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat het beroep op de inkomensvoorziening is beperkt tot de periode van 30 december 2010 tot en met 27 maart 2011. Ook heeft hij ter zitting desgevraagd verklaard dat hij in die periode niet heeft gewerkt en geen inkomsten uit arbeid of anderszins heeft ontvangen die aan toekenning van een inkomensvoorziening in de weg stonden. Geen aanleiding bestaat de juistheid van deze verklaring in twijfel te trekken. Evenmin is van de zijde van appellant gesteld of anderszins gebleken dat wat deze periode betreft nog andere gronden een beletsel voor toekenning van een inkomensvoorziening zouden kunnen vormen. Onder deze omstandigheden komt het de Raad geraden voor, zelf voorziend, het besluit van 8 februari 2011 omtrent de weigering van de inkomensvoorziening te herroepen en te bepalen dat betrokkene over de periode van 30 december 2010 tot en met 27 maart 2011 een inkomensvoorziening ingevolge de WIJ toekomt naar de norm voor een alleenstaande jongere die zich bevindt in de leeftijdscategorie 21 tot en met 26 jaar als bedoeld in artikel 26, aanhef en onder b, van de WIJ.

Wettelijke rente

6.1. Wegens de onrechtmatigheid van de weigering van 8 februari 2011 om betrokkene een inkomensvoorziening toe te kennen zal de Raad wettelijke rente toekennen. In lijn met zijn uitspraak van 25 januari 2012, LJN BV1958, stelt de Raad vast dat, waar het hier een eerste toekenning betreft, de wettelijke rente gaat lopen vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de beslistermijn voor de toekenning is verstreken.

6.2. In dit geval had het ambtshalve begunstigende besluit tot toekenning van een inkomensvoorziening, gelet op artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, binnen acht weken na de aanvraag om een werkleeraanbod van 30 december 2010 moeten zijn genomen. Dit betekent dat de wettelijke rente over het tijdvak 30 december 2010 tot en met 28 februari 2011 is gaan lopen op 1 maart 2011 en over het tijdvak van 1 maart tot en met 27 maart 2011 op 1 april 2011. Bij de berekening moet worden uitgegaan van het bruto bedrag van de betrokken termijn. Tevens dient, voor iedere termijn afzonderlijk, telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De aldus berekende wettelijke rente loopt tot de dag van de algehele voldoening.

Proceskosten

7. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,-- wegens verleende rechtsbijstand en € 40,40 aan reiskosten, derhalve in totaal € 914,40.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 oktober 2011 gegrond en vernietigt dit besluit;

- bepaalt, met herroeping van het besluit van 8 februari 2011 omtrent de weigering van de

inkomensvoorziening, dat betrokkene over de periode van 30 december 2010 tot en met

27 maart 2011 een inkomensvoorziening toekomt naar de norm voor een alleenstaande

jongere, die zich bevindt in de leeftijdscategorie 21 tot en met 26 jaar en bepaalt voorts dat

deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 27 oktober 2011;

- bepaalt dat appellant aan betrokkene de wettelijke rente vergoedt op de wijze als aangegeven

onder 6.2 van deze uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 914,40;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 454,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) P.J.M. Crombach

sg