Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8031

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
11-6430 WIJ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een inkomensvoorziening. Appellante heeft haar stelling dat misbruik is gemaakt van haar bankrekening onderbouwd met verklaringen C. en E.. Dit zijn geen objectieve, verifieerbare bewijsstukken waaruit blijkt dat appellante niet over de bedragen op haar bankrekening beschikte of kon beschikken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6430 WIJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 september 2011, 11/260 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten (college)

Datum uitspraak 8 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2012. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 15 juli 2010 een aanvraag ingediend om een werkleeraanbod op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Bij besluit van 31 augustus 2010, foutief gedateerd op 23 juli 2010, is haar aanvraag om een werkleeraanbod afgewezen. Daarbij is tevens geweigerd om een inkomensvoorziening toe te kennen. Bij besluit van 24 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 31 augustus 2010, onder verbetering van de grondslag, ongegrond verklaard. Het college heeft zich in het bestreden besluit nader op het standpunt gesteld dat het recht op de inkomensvoorziening niet kan worden vastgesteld omdat de omvang van het vermogen van appellante niet bekend is. In de periode van 29 maart 2010 tot en met 26 mei 2010 zijn op haar bankrekening bedragen gestort van in totaal meer dan € 25.000,--, welke bedragen ook weer zijn opgenomen. Appellante heeft geen duidelijkheid gegeven over de herkomst en besteding van die bedragen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd en heeft hierbij haar in beroep aangevoerde stellingen herhaald. Zij heeft verwezen naar het advies van de commissie bezwaarschriften sociale zekerheid van 16 december 2010. In dat advies is opgenomen dat mutaties voorafgaand aan de inkomensvoorziening bij de bepaling van de hoogte van het vermogen buiten beschouwing blijven en evenmin kunnen leiden tot het verlagen van de inkomensvoorziening met toepassing van de afstemmingsverordening en dat het daarom niet relevant is om te weten met welk doel appellante in de periode direct voorafgaand aan de aanvraag grote sommen geld heeft ontvangen en waar dit geld is gebleven. Het college heeft dit advies volgens appellante ten onrechte niet gevolgd. Over de herkomst van de gelden heeft appellante aangevoerd dat haar ex-vriend [A.] en diens zakenpartner [D.] gebruik van haar bankrekening hebben gemaakt zonder dat zij dat wist. Het gaat om bedragen die zij hebben verdiend met zwarte autohandel en zij hebben haar bankrekening gebruikt om het geld tijdelijk te parkeren. Appellante stelt hiervoor niet verantwoordelijk te zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling en verwijst daarbij voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Het gaat in dit geding om de weigering van de inkomensvoorziening, waarbij de te beoordelen periode loopt vanaf de datum van de aanvraag om een werkleeraanbod op 15 juli 2010 tot en met de datum van het primaire besluit, 31 augustus 2010. Het werkleeraanbod is niet meer in geding.

4.2. Een besluit omtrent een inkomensvoorziening genomen naar aanleiding van een aanvraag om een werkleeraanbod, is een voor de aanvrager begunstigend besluit. Het ligt in het algemeen dan ook op de weg van die aanvrager om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het toekennen van die inkomensvoorziening is voldaan. In dat kader dient de belanghebbende de voor de beoordeling van het recht op een inkomensvoorziening benodigde gegevens te verschaffen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het voor de beoordeling van het recht op de inkomensvoorziening als regel noodzakelijk is om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie in de aan de om een werkleeraanbod voorafgaande periode. Het college moet ingevolge artikel 24, eerste lid, van de WIJ vaststellen of de jongere ten tijde van de aanvraag om een werkleeraanbod in aanmerking te nemen vermogen heeft. Tot het vermogen behoren ook contante gelden. In dat kader is het van belang om te onderzoeken of er kort voor de aanvraagdatum van het werkleeraanbod gelden van de bankrekening zijn opgenomen en, zoja, of deze gelden zijn besteed. Hieraan doet niet af dat de WIJ, anders dan de Wet werk en bijstand niet in een bepaling voorziet waarin de mogelijkheid is opgenomen om de inkomensvoorziening te verlagen in het geval de betrokkene tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond en hierdoor de noodzaak tot verlening van de inkomensvoorziening heeft bespoedigd. Het gaat hier immers niet om de vraag of de gelden op een verantwoorde wijze zijn besteed maar om de vraag of de gelden nog in het bezit zijn van appellante en of zij nog over de gelden beschikt.

4.3. Appellante heeft haar stelling dat misbruik is gemaakt van haar bankrekening onderbouwd met verklaringen van [A.] en [D.]. De rechtbank heet terecht geoordeeld dat dit geen objectieve, verifieerbare bewijsstukken zijn waaruit blijkt dat appellante niet over de bedragen op haar bankrekening beschikte of kon beschikken. De verklaringen van [A.] en appellante komen immers niet overeen en [D.] heeft op een later moment ontkend dat de door appellante overgelegde verklaring van 16 augustus 2010 van hem is.

4.4. Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) P.J.M. Crombach

JvC