Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8023

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
11/1042 WWB + 11/1043 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Gelet op het ontbreken van betrouwbare informatie over de gewerkte uren en het daarmee daadwerkelijk verdiende inkomen kan het recht op bijstand van appellanten over de genoemde perioden niet worden vastgesteld. Hoewel gelet op de aard van de activiteiten het voeren van een administratie mogelijk op praktische bezwaren stuit, mocht van appellant ten minste worden verwacht dat hij bijhoudt hoeveel uur hij per dag heeft gewerkt en wat hij aan inkomsten heeft ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1042 WWB, 11/1043 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 27 december 2010, 10/127 en 10/128 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak 8 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. S. de Vaal, advocaat, bij afzonderlijke beroepschriften, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaak van appellant, met registratienummer 11/1042, en in de zaak van appellante, met registratienummer 11/1043, heeft gevoegd plaatsgevonden op 20 november 2012. Voor appellanten is verschenen mr. De Vaal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen, voor zover hier van belang, van 26 januari 2008 tot 1 juni 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen (sociale recherche) heeft medio 2008 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Aanleiding voor dit onderzoek zijn geweest de onderzoeksresultaten van een strafrechtelijk onderzoek naar enkele bij de horeca-onderneming [naam onderneming] in [vestigingsplaats] werkzame personen, waaruit naar voren is gekomen dat appellante in de periode van 31 juli 2008 tot en met 22 augustus 2008 schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht bij een vestiging van die onderneming, en een op 18 augustus 2008 ontvangen anonieme tip dat appellant sinds minimaal één jaar als straatmuzikant accordeon speelt bij een vestiging van Albert Heijn in de wijk [naam wijk]. In het kader van het onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand heeft de sociale recherche dossieronderzoek verricht en getuigen gehoord. Voorts heeft de sociale recherche appellanten verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 juni 2009.

1.3.1. De resultaten van dat onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest tot het nemen van de navolgende besluiten.

1.3.2. Bij besluit van 26 juni 2009, gehandhaafd bij besluit van 22 december 2009 (bestreden besluit 1), beide gericht tot appellant, heeft het college de bijstand over de perioden van 1 mei 2008 tot en met 31 mei 2008, van 22 juni 2008 tot en met 30 september 2008 en van 8 oktober 2008 tot en met 31 januari 2009 ingetrokken en de over die perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 11.283,67, waarvan € 1.694,57 netto, teruggevorderd.

1.3.3. Bij een afzonderlijk besluit van 26 juni 2009, gehandhaafd bij besluit van 22 december 2009 (bestreden besluit 2), beide gericht tot appellante, heeft het college een inhoudelijk identiek besluit genomen.

1.3.4. Het college heeft aan de bestreden besluiten 1 en 2 ten grondslag gelegd dat appellant in de perioden van 1 mei 2008 tot en met 31 mei 2008, van 22 juni 2008 tot en met 30 september 2008 en van 8 oktober 2008 tot en met 31 januari 2009 activiteiten als straatmuzikant heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten. Appellante heeft in de periode van 31 juli 2008 tot en met 22 augustus 2008 schoonmaakwerkzaamheden verricht en daarmee inkomen in geld en/of natura verdiend. Appellanten hebben door geen melding te maken van hun activiteiten en de hoogte van de daaruit ontvangen inkomsten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Gelet op het ontbreken van betrouwbare informatie over de door hen gewerkte uren en het daarmee daadwerkelijk verdiende inkomen kan het recht op bijstand van appellanten over de genoemde perioden niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat gelet op de geringe inkomsten uit zijn activiteiten als straatmuzikant niet van hem verwacht kon worden dat hij een boekhouding zou bijhouden. Appellante stelt zich eveneens op het standpunt dat van haar niet verwacht kon worden dat zij een boekhouding bijhoudt van de door haar als beloning ontvangen sigaretten en vlees. Appellanten achten de volledige terugvordering van de bijstand gelet op de geringe bedragen disproportioneel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Schending van de inlichtingenverplichting levert een grond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van die schending niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre, de betrokkenen in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. Het is dan aan de betrokkenen om aannemelijk te maken dat zij, indien wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de desbetreffende perioden recht op (aanvullende) bijstand zouden hebben gehad.

4.2.1. Tussen partijen staat vast dat appellant in de perioden van 1 mei 2008 tot en met 31 mei 2008, van 22 juni 2008 tot en met 30 september 2008 en van 8 oktober 2008 tot en met 31 januari 2009 activiteiten als straatmuzikant heeft verricht en dat appellante binnen diezelfde periode, werkzaamheden als schoonmaakster heeft verricht en dat zij van deze activiteiten en werkzaamheden aan het college geen opgave hebben gedaan.

4.2.2. Appellant heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat hij met zijn activiteiten als straatmuzikant geringe inkomsten heeft genoten en appellante heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat zij voor haar werkzaamheden als schoonmaakster gedurende tweeënhalf uur per dag in natura werd betaald met sigaretten en vlees.

Met betrekking tot het hoger beroep van appellant

4.3.1. Appellant heeft de omvang van zijn verdiensten als straatmuzikant niet aannemelijk gemaakt. Dat over de door hem verrichte activiteiten geen enkele administratie voorhanden is, komt voor zijn rekening en risico. Appellant kan niet gevolgd worden in zijn stelling dat gelet op de aard van de door hem verrichte activiteiten, waarbij geringe en steeds wisselende bedragen worden ontvangen, niet van hem kon worden verwacht dat hij een boekhouding zou bijhouden, mede omdat zo’n administratie, naar hem uit een procedure over zijn verblijfsvergunning is gebleken, toch niet zou worden geaccepteerd. Hoewel gelet op de aard van de activiteiten het voeren van een administratie mogelijk op praktische bezwaren stuit, mocht van appellant ten minste worden verwacht dat hij bijhoudt hoeveel uur hij per dag heeft gewerkt en wat hij aan inkomsten heeft ontvangen. Appellant had zich bovendien vooraf tot het college moeten wenden en daarbij afspraken kunnen maken over een voor het college acceptabele wijze van administreren. Door dat na te laten heeft appellant een zodanig onduidelijke situatie geschapen over zijn financiële situatie, dat daardoor gedurende de in geding zijn perioden van 1 mei 2008 tot en met 31 mei 2008, van 22 juni 2008 tot en met 30 september 2008 en van 8 oktober 2008 tot en met 31 januari 2009 niet kan worden vastgesteld of recht dan wel aanvullend recht op bijstand bestond. Het college was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd over te gaan tot intrekking van de bijstand.

4.3.2. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB bevoegd was de over de perioden van 1 mei 2008 tot en met 31 mei 2008, van 22 juni 2008 tot en met 30 september 2008 en van 8 oktober 2008 tot en met 31 januari 2009 gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen van appellant. Nu het recht op bijstand over de in geding zijnde perioden niet is vast te stellen, kan niet worden geoordeeld, zoals appellanten menen, of de terugvordering disproportioneel was.

Met betrekking tot het hoger beroep van appellante

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen, behoeven de beroepsgronden die appellante in verband met bestreden besluit 2 heeft aangevoerd geen bespreking meer. De werkzaamheden van appellante vallen immers binnen de door bestreden besluit 1 gedekte beoordelingsperioden, waarover is geoordeeld dat de intrekking van de bijstand evenals de terugvordering stand kunnen houden.

4.5. De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en Y.J. Klik en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(de griffier is buiten staat te tekenen)

TM