Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8021

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
11-1083 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:233, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. De door appellant verstrekte informatie is onvoldoende verifieerbaar en verschaft onvoldoende duidelijkheid om appellant te volgen in zijn stelling dat hij door middel van geldleningen in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Inlichtingenverplichting niet naar behoren nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1083 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 januari 2011, 10/2253 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak 8 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter zitting van 13 november 2012 aan de orde gesteld. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant en zijn echtgenote hebben op 8 april 2009 een aanvraag ingediend om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 25 september 2009 heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat appellant, ondanks herhaald verzoek van het college, niet de benodigde informatie heeft verstrekt.

1.2. Bij besluit van 2 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 september 2009 ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld omdat appellant niet heeft aangetoond hoe hij tijdens en voorafgaand aan de bijstandsaanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Met name is geen duidelijkheid verschaft over de kasstortingen op zijn bankrekening in de periode van januari 2009 tot en met augustus 2009 tot een bedrag van in totaal € 14.675,--. Daarbij is in het bijzonder in aanmerking genomen dat in de laatste drie maanden voorafgaand aan de afwijzing van de aanvraag telkens een bedrag van € 2.300,-- op de eigen bankrekening is gestort.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij, evenals in beroep, aangevoerd dat hij tijdig alle benodigde informatie heeft verstrekt. Er was geen reden om zijn aanvraag op voormelde gronden af te wijzen. Hij heeft meerdere schuldbekentenissen overgelegd en heeft uitgelegd dat de kasstortingen leningen betroffen die door hem zijn aangewend om oudere leningen af te lossen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard op grond van, samengevat, de volgende overwegingen. Nu appellant een aanvraag om bijstand heeft gedaan ligt het op zijn weg om zodanige inlichtingen te verstrekken dat op basis daarvan een oordeel over het recht op bijstand kan worden gevormd. Hierbij is de financiële situatie van appellant een essentieel gegeven. Gelet op de kasstortingen op zijn bankrekening diende appellant duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop hij voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. De door appellant verstrekte informatie is onvoldoende verifieerbaar en verschaft onvoldoende duidelijkheid om appellant te volgen in zijn stelling dat hij door middel van geldleningen in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Appellant is de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB niet naar behoren nagekomen met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De aanvraag om bijstand is terecht en op goede gronden afgewezen. De Raad verwijst naar de onderdelen 2.5 tot en met 2.6.4 van de aangevallen uitspraak.

4.2. Appellant heeft in hoger beroep geen andere beroepsgronden aangevoerd dan in beroep. Hij heeft niet aangegeven waarom en op welke onderdelen, de weerlegging van zijn beroepsgronden door de rechtbank niet deugdelijk is. De Raad ziet geen redenen om het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit niet te volgen.

4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) P.C. de Wit

IJ