Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY8020

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
10/6442 WWB + 10/6443 WWB + 11/1148 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:5866, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering woonkostentoeslag, oplegging maatregel, terugvordering langdurigheidstoeslag. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de enkele inschrijving van H. in de GBA op het ouderlijk adres onvoldoende is om aannemelijk te achten dat hij ten tijde hier van belang daadwerkelijk bij betrokkenen heeft gewoond. Dat H. dit adres aan appellant heeft opgegeven als uitkeringsadres leidt niet tot een ander oordeel. De besluitvorming ontbeert een deugdelijke feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6442 WWB, 10/6443 WWB, 11/1148 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2010, 10/405 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (appellant)

[Betrokkene 1] en [Betrokkene 2] te [woonplaats] (betrokkenen)

Datum uitspraak 8 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Namens betrokkenen heeft mr. R. Wijling, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai. Betrokkenen zijn verschenen, bijgestaan door mr. A.J. Wintjes, kantoorgenoot van mr. Wijling.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkenen ontvingen ten tijde hier van belang bijstand naar de norm voor gehuwden en een woonkostentoeslag ter hoogte van 20% van de bijstandsnorm. Van 20 november 2007 tot 17 november 2009 heeft een meerderjarige zoon van betrokkenen, [H.K.] ingeschreven gestaan in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) op het adres van betrokkenen. H.K. heeft bijstand aangevraagd waarbij hij het adres van betrokkenen als uitkeringsadres heeft opgegeven. Hij ontving vanaf 20 november 2007 bijstand naar de norm voor een alleenstaande en een toeslag ter hoogte van 10%. De bijstand van H.K. is met ingang van 1 april 2008 ingetrokken op de grond dat hij niet heeft gereageerd op aan het uitkeringsadres gerichte oproepen.

1.2. Bij besluit van 5 oktober 2009 heeft appellant de woonkostentoeslag van betrokkenen met ingang van 20 november 2007 herzien naar 10% van de bijstandsnorm en de bijstand van betrokkenen bij wijze van maatregel verlaagd met 40% gedurende de maand oktober 2009. Bij besluiten van 5 en 12 oktober 2009 heeft appellant de over de periodes van 1 januari 2009 tot en met 31 augustus 2009 en 20 november 2007 tot en met 31 december 2008 het ten onrechte aan betrokkenen verleende bedrag aan toeslag teruggevorderd tot bedragen van € 988,70 netto en € 2.546,42 bruto. Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft appellant de over 2008 en 2009 verleende langdurigheidstoeslag van - in totaal - € 972,-- van betrokkenen teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 7 januari 2010 (bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren tegen de vier onder 1.2 vermelde besluiten ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkenen hebben verzuimd mee te delen dat H.K. in de ouderlijke woning heeft gewoond waardoor zij de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met hem hebben kunnen delen en slechts recht hebben op een toeslag ter hoogte van 10 % van de bijstandsnorm.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit wegens het ontbreken van een dragende feitelijke grondslag vernietigd en de vier onder 1.2 vermelde besluiten herroepen. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat H.K. gedurende de periode in geding feitelijk bij betrokkenen heeft ingewoond.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat er wel voldoende grondslag is voor het standpunt dat H.K. ten tijde hier van belang bij betrokkenen heeft gewoond. Betrokkenen hebben dit ontkend. Zij hebben herhaald dat H.K. een verslaafde is zonder vast adres, die uit detentie kwam en bijstand wilde aanvragen, waaraan zij medewerking hebben verleend door zijn inschrijving in de GBA op het ouderlijk adres toe te staan. Het ging hierbij niet om een inschrijving als woonadres, maar als briefadres, omdat H.K. daar niet woonde.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Een herzieningsbesluit is een belastend besluit. Daarbij is het aan appellant om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op appellant rust. Het ligt daarom op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat H.K. gedurende de hier te beoordelen periode in de woning van betrokkenen heeft gewoond.

4.2. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de enkele inschrijving van H.K. in de GBA op het ouderlijk adres onvoldoende is om aannemelijk te achten dat hij ten tijde hier van belang daadwerkelijk bij betrokkenen heeft gewoond. Dat H.K. dit adres aan appellant heeft opgegeven als uitkeringsadres leidt niet tot een ander oordeel. De Raad merkt hierbij op dat appellant de op 20 november 2007 aan H.K. verleende bijstand met ingang van 1 april 2008 heeft ingetrokken op de onder 1.1 vermelde grondslag.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de besluitvorming een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op een bedrag van € 874,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkenen tot een bedrag van € 874,--;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht ten bedrage van € 466,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.P.M. Zeijen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) V.C. Hartkamp

IvR