Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY7968

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
11-943 WIJ + 11-1294 WIJ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIJ. Weigering inkomensvoorziening. Appellant bestrijdt dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. De gezamenlijke huishouding levert op zichzelf geen grond voor een weigering. Het bestreden besluit berust daarom niet op een deugdelijke grondslag. De overweging van de rechtbank dat de inkomensvoorziening een individueel karakter heeft, is niet juist. Het is immers ook van belang of V. in aanmerking te nemen vermogen en inkomen heeft. Geen sprake van in aanmerking te nemen vermogen en inkomen bij betrokkene, geen omstandigheden op grond waarvan betrokkene was uitgesloten van het recht op een inkomensvoorziening. Inkomen van V. wordt in aanmerking genomen. Toekenning inkomensvoorziening.

Wetsverwijzingen
Wet investeren in jongeren 24
Wet investeren in jongeren 28
Wet investeren in jongeren 36
Wet investeren in jongeren 3
Wet investeren in jongeren 7
Wet investeren in jongeren 26b
Wet investeren in jongeren 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/74
JWWB 2013/29
USZ 2013/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/943 WIJ, 11/1294 WIJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2010, 10/3492 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)

[A. te B.]

Datum uitspraak 8 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft een nader besluit van 3 februari 2011 aan de Raad gezonden.

De Raad heeft appellant bij brief van 31 oktober 2012 enkele vragen gesteld. Appellant heeft daarop gereageerd bij brief van 5 november 2012.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, geboren [in] 1986, heeft op 25 februari 2010 een aanvraag om een werkleeraanbod op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) ingediend. Zij heeft daarbij te kennen gegeven dat zij bij haar tante [naam tante] woont en geen gezamenlijke huishouding voert. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft appellant bij besluit van 31 maart 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 juni 2010 (bestreden besluit), geweigerd betrokkene een inkomensvoorziening op grond van de WIJ toe te kennen. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert met [naam tante].

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft geoordeeld dat betrokkene en [naam tante] weliswaar een gezamenlijke huishouding voeren, maar dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het voeren van een gezamenlijke huishouding niet ten grondslag kan liggen aan een weigering van een inkomensvoorziening, omdat de inkomensvoorziening een individueel karakter heeft. Volgens de rechtbank kent de WIJ geen gezinsuitkering, maar gaat die wet uit van individuele aanspraken. De rechtbank merkt verder ten overvloede op dat het voeren van een gezamenlijke huishouding wel van belang is voor het vaststellen van de hoogte van de inkomensvoorziening. Omdat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert, is voor de vaststelling van de hoogte van haar inkomensvoorziening de norm voor gehuwden, zoals nader omschreven in artikel 28 van de WIJ, van toepassing.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant bestrijdt dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. Betrokkene heeft zich bij de aanvraag om een werkleeraanbod gepresenteerd als alleenstaande en zij wenste in aanmerking te worden gebracht voor een inkomensvoorziening naar de norm voor een alleenstaande. Betrokkene voert echter een gezamenlijke huishouding. Daarom is betrokkene geen zelfstandig subject van verlening van inkomensvoorziening en heeft zij geen recht op een inkomensvoorziening naar de norm voor een alleenstaande.

4. Op 3 februari 2011 heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar genomen. Appellant heeft het bezwaar gegrond verklaard en aan betrokkene een inkomensvoorziening naar de norm voor een alleenstaande als bedoeld in artikel 26, aanhef en onder b, van de WIJ toegekend over de periode van 25 februari 2010 tot 5 mei 2010, de datum met ingang waarvan betrokkene een stagevergoeding ontvangt. Op voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal de Raad het besluit van 3 februari 2011 in zijn beoordeling betrekken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Wettelijk kader

5.1.1. In artikel 2 van de WIJ is bepaald wie jongere is. Het uitgangspunt is dat in deze wet onder jongere wordt verstaan: een hier te lande woonachtige Nederlander van 16 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar.

5.1.2. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WIJ, voor zover van belang, wordt voor de toepassing van deze wet als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

5.1.3. Artikel 7 van de WIJ luidde ten tijde van belang en voor zover van belang als volgt:

“In deze wet (…) wordt verstaan onder:

- inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid en tweede lid, (…) van de Wet werk en bijstand;

- middelen: middelen als bedoeld in artikel 31 van de Wet werk en bijstand (…).

- vermogen: vermogen als bedoeld in artikel 34, eerste tot en met derde lid, van de Wet werk en bijstand.”

5.1.4. Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de WIJ, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, heeft de jongere van 18 jaar of ouder, die een aanvraag als bedoeld in artikel 14 heeft ingediend, recht op een inkomensvoorziening indien:

(a) hij geen in aanmerking te nemen vermogen heeft, en

(b) zijn in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de op hem van toepassing zijnde norm, bedoeld in de artikelen 26 tot en met 29.

5.1.5. Ingevolge artikel 26, aanhef en onder b, van de WIJ, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, is voor een jongere die alleenstaande is, indien hij zich bevindt in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar, de norm per kalendermaand € 649,52.

5.1.6. Op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de WIJ, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, is voor jongeren die gehuwd zijn en geen te hunnen laste komende kinderen hebben, indien het betreft gehuwden waarvan beide echtgenoten zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevinden, de norm per kalendermaand € 1.299,04.

5.1.7. In artikel 28, derde lid, van de WIJ is bepaald dat, indien een van de gehuwden geen recht heeft op inkomensvoorziening, voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk is aan de norm die voor hem als alleenstaande of als alleenstaande ouder zou gelden.

5.1.8. Artikel 36 van de WIJ luidde ten tijde van belang en voor zover van belang als volgt:

“ (…)

3. Op de van toepassing zijnde norm, bedoeld in de artikelen 26 (…) wordt het in aanmerking te nemen inkomen van de betrokken jongere in mindering gebracht.

4. Op de van toepassing zijnde norm, bedoeld in de artikelen 28, eerste lid, onderdelen (…) d (…), wordt het in aanmerking te nemen inkomen van de echtgenoten tezamen in mindering gebracht.

5. Indien een van de gehuwden geen recht op inkomensvoorziening heeft, wordt zijn inkomen slechts in aanmerking genomen voor zover het inkomen van de gehuwden tezamen, met inbegrip van de inkomensvoorziening die zou worden verleend indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan:

(…)

(b) indien de echtgenoot die geen recht heeft op inkomensvoorziening 27 jaar of ouder is:

10 indien de gehuwden geen te hunnen laste komende kinderen hebben:

(…)

(b) indien de jongste echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 21 tot 26 jaar bevindt, de norm bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel d; (…).”

aangevallen uitspraak

5.2. De ten aanzien van het recht op inkomensvoorziening te beoordelen periode strekt zich in dit geval uit van 25 februari 2010, de datum waarop betrokkene een werkleeraanbod heeft aangevraagd, tot en met 31 maart 2010, de datum van het naar aanleiding van die aanvraag genomen besluit omtrent de inkomensvoorziening.

5.3. Betrokkene is geboren [in] 1986 en had gedurende de hier te beoordelen periode de leeftijd van 23 jaar. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene een jongere is als bedoeld in artikel 2 van de WIJ. Verder staat vast dat betrokkene een aanvraag om een werkleeraanbod heeft gedaan. Dat betekent dat betrokkene op grond van artikel 24, eerste lid, van de WIJ recht heeft op een inkomensvoorziening indien zij geen in aanmerking te nemen vermogen heeft, en haar in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de op haar van toepassing zijnde norm, bedoeld in de artikelen 26 tot en met 29.

5.4. De rechtbank heeft ondubbelzinnig geoordeeld dat betrokkene en [naam tante] gedurende de hier te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellant onderschrijft dit bindende oordeel. Betrokkene heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld en ook geen verweer gevoerd. Dit betekent dat in hoger beroep moet worden uitgegaan van een gezamenlijke huishouding. Betrokkene en [naam tante] moeten daarom op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WIJ voor de toepassing van deze wet als gehuwden worden aangemerkt. Vaststaat verder dat [naam tante], die is geboren op 12 mei 1940, geen jongere in de zin van artikel 2 van de WIJ is en daarom geen recht heeft op een inkomensvoorziening.

5.5. Omdat betrokkene en [naam tante] voor de toepassing van de WIJ als gehuwden moeten worden aangemerkt en [naam tante] geen recht op een inkomensvoorziening heeft en verder vaststaat dat betrokkene geen tot haar last komende kinderen heeft, is ingevolge artikel 28, derde lid, van de WIJ voor betrokkene de norm gelijk aan de norm die voor haar als alleenstaande zou gelden. Omdat betrokkene gedurende de hier te beoordelen periode de leeftijd had van 23 jaar, zou voor haar als alleenstaande de norm gelden genoemd in artikel 26, aanhef en onder b, van de WIJ. Op grond van die bepaling bedroeg deze norm ten tijde in geding € 649,52 per kalendermaand.

5.6. Uit artikel 7 van de WIJ in verbinding met de in dat artikel genoemde bepalingen van de Wet werk en bijstand vloeit voort dat, indien de belanghebbende gehuwd is, onder vermogen, het vermogen van de echtelieden tezamen en onder inkomen, het inkomen van de echtelieden tezamen moet worden verstaan. Dat bij gehuwden onder inkomen, het inkomen van de echtelieden tezamen moet worden verstaan, komt verder tot uitdrukking in artikel 36, vierde lid, van de WIJ. Het voorgaande geldt ook indien één van de echtelieden geen recht heeft op inkomensvoorziening. Voor die situatie schrijft artikel 36, vijfde lid, van de WWB voor dat slechts een deel van het inkomen van de niet-rechthebbende partner in aanmerking wordt genomen. Omdat betrokkene en [naam tante] voor de toepassing van de WIJ als gehuwden moeten worden aangemerkt, moet, om de vraag te kunnen beantwoorden of betrokkene op grond van artikel 24, eerste lid, van de WIJ recht heeft op een inkomensvoorziening, worden vastgesteld of zij en [naam tante] in aanmerking te nemen vermogen en inkomen hebben. Omdat [naam tante] geen recht heeft op een inkomensvoorziening, blijft op grond van artikel 36, vijfde lid, van de WIJ een deel van haar inkomen buiten beschouwing.

5.7. Uit wat onder 5.2 tot en met 5.6 is overwogen, vloeit voort dat de omstandigheid dat betrokkene en [naam tante] een gezamenlijke huishouding voeren op zichzelf beschouwd geen grond oplevert om betrokkene een inkomensvoorziening te weigeren. De rechtbank heeft dan ook terecht, zij het op onjuiste gronden, geoordeeld dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag berust en beslist het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. In zoverre komt de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover appellant is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Van belang is in dit verband dat de overweging van de rechtbank dat de inkomensvoorziening een individueel karakter heeft, niet juist is. In het geval van betrokkene is bij de beoordeling of zij recht heeft op inkomensvoorziening immers ook van belang of [naam tante] in aanmerking te nemen vermogen en inkomen heeft. Voorts verdient opmerking dat de overwegingen die volgens de rechtbank ten overvloede zijn gegeven, stellig en zonder voorbehoud zijn gegeven en daarom voor appellant bindend zijn. Ook die overwegingen zijn niet juist, voor zover de rechtbank er daarbij van uitgaat dat het voeren van een gezamenlijke huishouding voor het vaststellen van de hoogte van de inkomensvoorziening uitsluitend van belang is omdat toepassing gegeven moet worden aan artikel 28 van de WIJ. In het geval van betrokkene is ook het in aanmerking te nemen inkomen van [naam tante] van belang voor de vaststelling van de hoogte van de inkomensvoorziening.

besluit van 3 februari 2011

5.8. Uit hetgeen onder 5.7 is overwogen vloeit voort dat aan het besluit van 3 februari 2011 de grondslag is komen te ontvallen. Dat betekent dat het besluit van 3 februari 2011 voor vernietiging in aanmerking komt.

zelf voorzien

5.9. Bij brief van 31 oktober 2012 heeft de Raad appellant verzocht mee te delen of er voor betrokkene nog een recht op een inkomensvoorziening zou bestaan, indien appellant, met toepassing van de artikelen 28 en 36 van de WIJ zoals die destijds luidden, wel rekening zou houden met het inkomen van [naam tante] over de in het besluit van 3 februari 2011 genoemde periode van 25 februari 2010 tot 5 mei 2010 en hierbij een berekening te overleggen.

5.10. Appellant heeft bij brief van 5 november 2012 gereageerd en heeft meegedeeld dat betrokkene over de genoemde periode recht zou hebben op een inkomensvoorziening ter hoogte van € 334,36 per maand. Omdat appellant, anders dan de Raad heeft gevraagd, niet de WIJ heeft toegepast, zoals die luidde ten tijde hier van belang, kan de door appellant uitgevoerde berekening niet worden gevolgd om te komen tot een finale beslechting van het geschil. De Raad zal dan ook het recht op en de hoogte van de inkomensvoorziening over de periode van 25 februari 2010 tot 5 mei 2010 zelf vaststellen.

5.11. De Raad stelt vast dat ten tijde hier van belang:

- betrokkene en [naam tante] geen in aanmerking te nemen vermogen hadden en dat van omstandigheden op grond waarvan betrokkene was uitgesloten van het recht op inkomensvoorziening niet is gebleken. Voor het tegendeel bieden de gedingstukken geen enkel aanknopingspunt;

- ingevolge artikel 28, derde lid, van de WIJ in verbinding met artikel 26, aanhef en onder b, van de WIJ voor betrokkene de norm per kalendermaand € 649,52 bedroeg;

- betrokkene geen in aanmerking te nemen inkomen had;

- [naam tante] een inkomen had van € 979,49 netto per maand. Het bedrag van het inkomen is ontleend aan de verklaring die betrokkene op 9 maart 2010 tegenover twee medewerkers van appellant heeft afgelegd. Gelet op het verhandelde ter zitting betwist appellant de hoogte van het gestelde inkomen van [naam tante] niet;

- ingevolge artikel 36, vijfde lid, aanhef en onder b, onderdeel 1° onder b, van de WIJ in verbinding met artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de WIJ van het inkomen van [naam tante] een bedrag van € 329,97 per maand in aanmerking wordt genomen;

- het verschil tussen de voor betrokkene geldende norm per kalendermaand en het in aanmerking te nemen maandelijkse inkomen van betrokkene en [naam tante] € 319,55 bedraagt.

5.12. Gelet op wat onder 5.9 tot en met 5.11 is overwogen, bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De Raad zal het besluit van 31 maart 2010 herroepen en aan betrokkene over de periode van 25 februari 2010 tot 5 mei 2010 een inkomensvoorziening toekennen ten bedrage van € 319,55 per maand.

6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in hoger beroep is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij appellant is opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

-vernietigt het besluit van 3 februari 2011;

-herroept het besluit van 31 maart 2010, kent betrokkene over de periode van 25 februari 2010 tot 5 mei 2010 een inkomensvoorziening toe ten bedrage van € 319,55 per maand en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 29 juni 2010.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) J. de Jong

ew