Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY7958

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
11-2085 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Appellant had een aanspraak op middelen uit de nalatenschap van zijn moeder, waarover hij nog niet kon beschikken. Het rechtsgevolg, te weten de terugvordering, kan pas intreden indien de vordering die appellant op zijn vader had in verband met zijn erfdeel uit de nalatenschap van zijn overleden moeder, opeisbaar is geworden. Hiervan was eerst sprake toen de nalatenschap van de vader van appellant was afgewikkeld. Geen sprake van verjaring van de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2085 WWB, 11/3855 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 februari 2011, 2010/1178 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

Datum uitspraak 8 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een nader besluit van 27 mei 2011 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door [B.]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A.T.M. Brouns.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 20 december 1987 tot 1 juli 1994 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW). Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst dat appellant over vermogen beschikte, heeft de sociale recherche van de gemeente Roermond een onderzoek ingesteld. Uit dat onderzoek is, blijkens het rapport van 7 september 1992, onder meer naar voren gekomen dat appellant, in verband met het overlijden van zijn moeder op 1 augustus 1974, een vordering heeft op zijn vader van fl. 39.937,32, waarover tevens rente wordt vergoed. Appellant heeft van deze vordering geen melding gemaakt bij zijn aanvraag om bijstand van 22 december 1987.

1.2. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college appellant bij brief van 8 maart 1993 meegedeeld dat de aan appellant uitgekeerde bijstand van hem wordt teruggevorderd zodra de vordering op zijn vader opeisbaar wordt. Het college heeft hierbij verder meegedeeld dat de bijstand vanaf de toekenning per 20 december 1987 wordt geacht te zijn verleend met inachtneming van artikel 58 van de Algemene Bijstandswet. Dit betekent dat kosten van bijstand verleend over een periode gedurende welke aanspraken op middelen aanwezig zijn waarover nog niet kan worden beschikt, van betrokkene worden teruggevorderd tot het bedrag waarover later wordt beschikt.

1.3. Onder verwijzing naar de brief van 8 maart 1993 heeft het college appellant bij brief van 28 mei 2004 meegedeeld dat, wanneer de vordering die appellant op zijn vader heeft opeisbaar wordt, het college de over de periode van 20 december 1987 tot en met 30 juni 1994 aan hem verstrekte bijstand zal terugvorderen tot een bedrag van maximaal

€ 18.122,27.

1.4. Op 12 oktober 2006 is de vader van appellant overleden. De oudste broer van appellant heeft het college op 2 november 2008 laten weten dat de afwikkeling van de nalatenschap is voltooid. Bij brief van 13 oktober 2009 heeft het college appellant verzocht om, onder overlegging van bewijsstukken, binnen twee weken informatie te verschaffen over de hoogte van het bedrag dat is vrijgekomen uit de nalatenschap, en wanneer dit aan appellant is overgemaakt. Daarbij heeft het college vermeld dat als appellant de gevraagde informatie niet binnen de gevraagde termijn verstrekt, het college zal overgaan tot terugvordering van het maximale bedrag van € 18.122,77. Appellant heeft op deze brief niet gereageerd.

1.5. Bij besluit van 5 november 2009 heeft het college met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Wet werk en bijstand (WWB) de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 20 december 1987 tot en met 30 juni 1994 van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 18.122,77 wegens naderhand verkregen middelen uit de nalatenschap van zijn moeder.

1.6. Bij besluit van 30 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 november 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het standpunt van het college onderschreven dat appellant in november 2008 de beschikking heeft gekregen over zijn aandeel in de nalatenschap van zijn moeder. Het college heeft volgens de rechtbank echter ten onrechte nagelaten het voor appellant bij de toekenning van de uitkering op 20 december 1987 geldende bescheiden vrij te laten vermogen bij de terugvordering buiten beschouwing te laten. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Appellant heeft, samengevat, betoogd dat de brief van 8 maart 1993 een besluit is en dat de terugvordering inmiddels is verjaard.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 27 mei 2011 het bezwaar tegen het besluit van 5 november 2009 in zoverre gegrond verklaard dat de gemaakte kosten van bijstand over de hier van belang zijnde periode van appellant worden teruggevorderd tot een bedrag van € 14.515,22. Het college heeft daarbij het in de akte van scheiding en deling genoemde bedrag van fl. 39.937,32 (€ 18.122,77) verminderd met het destijds toepasselijke bedrag van het vrij te laten bescheiden vermogen van fl. 7.950,-- (€ 3.607,55).

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad merkt het nadere besluit van 27 mei 2011 aan als een besluit dat met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling in hoger beroep wordt betrokken.

De aangevallen uitspraak

5.2. Aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de bijstand. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB biedt dan ook een zelfstandige terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt, kan tot terugvordering worden overgegaan.

5.3. Vaststaat dat het college aan appellant van 20 december 1987 tot en met 30 juni 1994 bijstand heeft verleend en dat appellant toen een aanspraak had op middelen uit de nalatenschap van zijn moeder, waarover hij nog niet kon beschikken.

5.4. Anders dan appellant betoogt, betreft de in de brief van 8 maart 1993 gedane mededeling met betrekking tot de terugvordering slechts een aankondiging, dat wil zeggen een mededeling van informatieve aard, die niet op rechtsgevolg is gericht. Het rechtsgevolg, te weten de terugvordering, kan pas intreden indien de vordering die appellant op zijn vader had in verband met zijn erfdeel uit de nalatenschap van zijn overleden moeder, opeisbaar is geworden. Hiervan was eerst sprake toen de nalatenschap van de vader van appellant was afgewikkeld. De omstandigheid dat de brief van 8 maart 1993 in de gedingstukken een aantal keren wordt aangeduid als beschikking of als besluit, maakt dit niet anders. De in dit verband in hoger beroep herhaalde stelling dat de terugvordering door het tijdsverloop sinds het besluit van 8 maart 1993 is verjaard, slaagt dus evenmin. Pas op 5 november 2009 is ten aanzien van de terugvordering een op rechtsgevolg gericht besluit genomen.

5.5. Ook anderszins is van verjaring geen sprake. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen (CRvB 21 april 2009, LJN BI3772), wordt voor de verjaring aansluiting gezocht bij artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van deze bepaling verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Vanaf 2 november 2008, de datum waarop de broer van appellant het college heeft laten weten dat de afwikkeling van de nalatenschap was voltooid, kon het voor het college voldoende duidelijk zijn dat er gronden waren om tot terugvordering over te gaan. Dit betekent dat de verjaringstermijn niet eerder is aangevangen dan op 2 november 2008. Ten tijde van het besluit tot terugvordering van 5 november 2009 was de terugvordering, anders dan appellant heeft aangevoerd, dus niet verjaard.

5.6. Uit wat is overwogen in 5.2 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

Het besluit van 27 mei 2011

5.7. Tegen de wijze waarop het college met het besluit van 27 mei 2011 uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen de onderzoeksresultaten van het in 1.1 genoemde rapport, kan niet worden gezegd dat appellant, mede in het licht van de gehanteerde vermogensgrens, met de terugvordering van het bedrag van € 14.515,22 tekort is gedaan. Nu het besluit van 27 mei 2011 in overeenstemming is met de opdracht van de rechtbank aan het college om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en in 5.6 is geconcludeerd dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt, moet het beroep tegen dat besluit ongegrond worden verklaard.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 27 mei 2011 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.H. Bel en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) V.C. Hartkamp

QH