Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY7956

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
11-2255 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op bijstand niet vast te stellen. Het college heeft met de brief van 24 november 2010 een zelfstandig en definitief rechtsoordeel gegeven over het recht op bijstand van appellant over die periode. Het besluit van 4 mei 2010 is niet herroepen; vergoeding kosten in bezwaar terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2255 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 februari 2011, 10/3717 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein (college)

Datum uitspraak 8 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2012. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.K. Klok.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 4 mei 2010 heeft het college appellant over de periode van 23 februari 2009 tot en met 6 juli 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend.

1.2. Bij besluit van 21 september 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2010 gegrond verklaard en besloten dat het besluit van 4 mei 2010 zo nodig wordt herroepen en dat er alsnog een besluit wordt genomen over het mogelijk recht op een (aanvullende) bijstandsuitkering gedurende de periode van 7 juli 2010 (lees: 2009) tot 20 september 2010 (lees: 2009).

1.3. Bij brief van 2 en 15 november 2010 heeft het college appellant gevraagd om nadere gegevens in te leveren om zijn recht op bijstand over de periode van 7 juli 2009 tot 20 september 2009 te kunnen vaststellen. Omdat het college de gevraagde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn had ontvangen, heeft het college appellant bij brief van 24 november 2010 bericht dat het recht over de periode van 7 juli 2009 tot 20 september 2009 niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven en het beroep tegen het besluit van 24 november 2010 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat het college, gelet op het bepaalde in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in dit besluit niet had mogen volstaan met enkel een gegrondverklaring van het bezwaar, zonder een oordeel te gegeven over de vraag of, onder herroeping van het besluit van 4 mei 2010, recht bestond op (aanvullende) bijstand gedurende de periode van 7 juli 2009 tot 20 september 2009. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, omdat het college op 24 november 2010 alsnog een oordeel had gegeven over het recht op (aanvullende) bijstand over de periode van 7 juli 2009 tot 20 september 2009. De rechtbank heeft dit besluit, waarmee alsnog de volledige heroverweging heeft plaatsgevonden, aangemerkt als een aanvullend besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb waartegen het beroep tegen het bestreden besluit ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb moet worden geacht mede te zijn gericht. Omdat het bezwaarschrift niet heeft geleid tot een intrekking of wijziging van het besluit van 4 mei 2010, achtte de rechtbank van herroeping van het besluit van 4 mei 2010 geen sprake. Het college was daarom niet gehouden tot vergoeding van de kosten in de bezwaarfase.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het betoog van appellant dat de brief van 24 november 2010 geen besluit behelst en dat de rechtbank om die reden deze niet in de beroepsprocedure had mogen betrekken, slaagt niet. Het college heeft in de brief van 24 november 2010 aan appellant namelijk meegedeeld dat het recht op bijstand over de periode van 7 juli 2009 tot 20 september 2009 niet is vast te stellen. Hiermee heeft het college een zelfstandig en definitief rechtsoordeel gegeven over het recht op bijstand van appellant over die periode. Deze brief is daarom gericht op zelfstandig rechtsgevolg en moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

4.2. Appellant voert aan dat het college in het bestreden besluit ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de kosten in bezwaar. In artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Ter onderbouwing van zijn beroepsgrond stelt appellant dat het besluit van 4 mei 2010 is herroepen doordat hem over de periode na 6 juli 2010 alsnog bijstand is toegekend. Appellant wordt niet gevolgd in deze stelling, aangezien deze niet is onderbouwd en ter zitting bij de Raad door het college uitdrukkelijk is weersproken. Voorts stelt appellant dat het besluit van 4 mei 2010 jegens hem onrechtmatig was. Van belang is evenwel in de eerste plaats of het besluit van 4 mei 2010 is herroepen, en dat is niet het geval. Het college heeft bij besluit van 4 mei 2010 bepaald dat appellant geen bijstand ontvangt over de periode van 7 juli 2009 tot 20 september 2009. Met het bestreden besluit, waarvan de rechtsgevolgen door de aangevallen uitspraak in stand zijn gelaten, in samenhang met het besluit van 24 november 2010 is dit rechtsgevolg niet gewijzigd. Het college heeft het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar dan ook terecht afgewezen.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en C.H. Bangma en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) R. Scheffer

RB