Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY7949

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
11/2765 WWB + 12/6021 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel, verlaging van de bijstand met 20% gedurende een maand. Onder de omstandigheden kon redelijkerwijs van appellant verlangd worden dat hij op 22 april 2010 de arbeidsovereenkomst met Sagenn tekende en daar aan het werk ging. Door dat op die dag niet te doen, heeft appellant geweigerd gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, wat hem te verwijten valt. De medische problematiek van appellant was juist voorwerp van medisch onderzoek geweest en de medisch adviseur heeft op basis van dat onderzoek conclusie getrokken waarmee appellant het eens was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2765 WWB, 12/6021 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2011, 10/3852 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak 8 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.W. de Gruijl, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar van 6 november 2012 (nader besluit) ingezonden, waar appellant op heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2012. Appellant is verschenen bijgestaan door G. Grijs, medewerker op hetzelfde kantoor als mr. De Gruijl. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. el Fizazi.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.Appellant ontving vanaf 13 april 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand

(WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Sedert maart 2009 begeleidt de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) van Rotterdam appellant richting werk. Appellant heeft onder meer vanwege medische problemen enkele malen niet meegewerkt aan plaatsing bij re-integratiebedrijf Sagenn (Sagenn). Vervolgens heeft Aob Compaz appellant op verzoek van de dienst SoZaWe op 20 april 2010 gekeurd, teneinde daarmee duidelijkheid te krijgen over de medische beperkingen van appellant. Aob Compaz heeft in een rapport van 21 april 2010 geconcludeerd dat sprake is van beperkingen ten aanzien van staan, knielen, reiken, tillen en dragen met de linkerarm en lang lopen en staan. Appellant is volgens het rapport aangewezen op voornamelijk zittende werkzaamheden en hij wordt niet geschikt geacht als buurt serviceteam medewerker. In het rapport is vermeld dat appellant akkoord gaat met de inhoud en de strekking van het advies.

1.3. Vervolgens hebben medewerkers van de dienst SoZaWe op 22 april 2010 het medisch keuringsrapport met appellant besproken en hem meegedeeld en schriftelijk bevestigd dat hij zich ’s middags om 14.00 uur diende te melden bij Sagenn voor het bespreken en aanvaarden van een baan en het tekenen van een arbeidsovereenkomst. Appellant deelde daarop mee dat hij de schriftelijke garantie wilde dat hij schadevergoeding zou krijgen als er iets met zijn arm zou gebeuren. Daarop is appellant uitgelegd dat Sagenn aangepast werk heeft en dat appellant, naar aanleiding van het medisch advies, niet bang hoeft te zijn voor schade.

1.4. Appellant is ’s middags naar Sagenn gegaan, waar een medewerkster van Sagenn de arbeidsovereenkomst met hem heeft besproken en vragen van hem heeft beantwoord. Appellant wilde de arbeidsovereenkomst niet direct tekenen, maar een dag mee naar huis nemen om aan een jurist voor te leggen. Omdat dit werd geweigerd, is appellant weggegaan en is geen arbeidsovereenkomst tot stand gekomen.

1.5. Bij besluit van 26 april 2010 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant met ingang van

1 mei 2010 gedurende een maand met 100% verlaagd op de grond dat appellant algemeen geaccepteerde arbeid heeft geweigerd. Bij besluit van 13 september 2010 (bestreden besluit) heeft het college deze verlaging na bezwaar gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Bij het nader besluit heeft het college het besluit van 13 september 2010 ingetrokken en met ingang van 1 mei 2010 op de bijstand van appellant een verlaging toegepast van 20% over een maand. Aan het nader besluit ligt ten grondslag dat appellant niet, zoals in het bestreden besluit wordt gesteld, heeft geweigerd algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, maar dat hij de verplichting niet is nagekomen om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Aangezien het college het bestreden besluit niet heeft gehandhaafd, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

4.2. Met het nader besluit is het college niet volledig tegemoet gekomen aan het bezwaar van appellant. Daarom wordt dit besluit met toepassing van de artikelen 6:18, eerste lid, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in de procedure in hoger beroep betrokken.

4.3. Vervolgens zullen de hierna te noemen beroepsgronden tegen het besluit van 6 november 2012 worden beoordeeld.

4.4. Appellant betoogt dat het gebruikelijk is om enige bedenktijd te krijgen en een deskundige te kunnen raadplegen, alvorens een arbeidsovereenkomst te tekenen. Hij vindt dat hem daarom ook geen verwijt kan worden gemaakt dat hij de arbeidsovereenkomst op 22 april 2010 niet heeft getekend. Dat hij bereidwillig is, blijkt volgens hem uit het feit dat hij een maand later wel een arbeidsovereenkomst met Sagenn heeft getekend. Toen werd hem wel de mogelijkheid geboden de arbeidsovereenkomst een dag ter bestudering mee te nemen.

4.5. De Raad deelt het standpunt van het college dat van appellant, die reeds geruime tijd bijstand ontving, verlangd mocht worden dat hij alle mogelijke moeite zou doen om daaraan een einde te maken. De re-integratievoorziening bij Sagenn bood daartoe de gelegenheid. Appellant heeft ter zitting meegedeeld dat hij de arbeidsovereenkomst ter bestudering en ter raadpleging van een jurist wilde meenemen, om te kunnen nagaan of aan zijn medische armbeperking voldoende aandacht was besteed. Daar staat tegenover dat de medische problematiek van appellant juist voorwerp van medisch onderzoek was geweest en dat de medisch adviseur op basis van dat onderzoek conclusies heeft getrokken waarmee appellant het eens was. Zowel de medewerkers van de dienst SoZaWe als de medewerkster van Sagenn hebben appellant verzekerd dat met die conclusies rekening zou worden gehouden bij het aangepaste werk dat appellant bij Sagenn diende te verrichten. Er zijn geen aanknopingspunten dat dit niet het geval zou zijn. Onder deze omstandigheden kon redelijkerwijs van appellant verlangd worden dat hij op 22 april 2010 de arbeidsovereenkomst met Sagenn tekende en daar aan het werk ging. Door dat op die dag niet te doen, heeft appellant geweigerd gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, wat hem te verwijten valt.

4.6. Ingevolge artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c, van de Verordening afstemming en handhaving WWB Rotterdam 2009 (verordening) wordt voor het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening een maatregel opgelegd van een verlaging van twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. De bij het nader besluit opgelegde maatregel is hiermee in overeenstemming. In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen grond gezien voor het oordeel dat het college vanwege de ernst van de gedraging, de mate waarin appellant de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert, met toepassing van artikel 2, tweede lid, van de verordening tot een lagere maatregel had moeten besluiten. Reeds omdat van voor vergoeding in aanmerking komende bezwaarkosten niet is gebleken, bestaat daarop, anders dan in hoger beroep is verzocht, geen aanspraak. Dit betekent dat het beroep tegen het nader besluit ongegrond moet worden verklaard.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 874,- in beroep en op € 874,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 22,04 voor reiskosten van appellant in hoger beroep, derhalve in totaal € 1770,04.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 13 september 2010 gegrond;

-vernietigt het besluit van 13 september 2010;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 6 november 2012 ongegrond;

-veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1770,04;

-bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en C.H. Bangma en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) R. Scheffer

JvC