Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY7853

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2013
Datum publicatie
07-01-2013
Zaaknummer
11-3170 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling voorziening ter aanvulling van appellants ouderdomspensioen. Gelet op de uitkeringsregelingen zoals die golden gedurende appellants aanstelling hebben partijen bij het sluiten van de overeenkomst van 12 maart 1991 geen rekening kunnen houden met het stelsel van de FPU en de daarbij vastgestelde regel van de verhoging van het ouderdomspensioen indien de betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van een eerdere pensionering dan op de leeftijd van 65 jaar. Appellant kan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst dus geen verwachtingen hebben gekoesterd over een dergelijk voordeel en het college kan niet beoogd hebben een dergelijk misgelopen nadeel te compenseren. Appellant heeft ook niet laten blijken dat bij hem in de periode voor hij 65 jaar werd de verwachting is ontstaan op de desbetreffende verhoging. Zijn argumentatie was steeds uitsluitend gelegen in de taalkundige uitleg van de overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2013/100
TAR 2013/91
Module Ambtenarenrecht 2013/1348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3170 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 22 april 2011, 10/131 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zederik (college)

Datum uitspraak: 3 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.C.W.C. van Zon hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. drs. J.H.M. Wesseling, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het college heeft op verzoek van de Raad nadere inlichtingen verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Zon. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Wesseling en H. van Putten.

OVERWEGINGEN

1. Het college heeft appellant, geboren in 1944, met ingang van 1 januari 1992 ontslag verleend. Hieraan lag ten grondslag een tussen appellant en het college op 12 maart 1991 gesloten overeenkomst, waarin - naast onder meer een recht op wachtgeld tot appellants aanspraak op ouderdomspensioen - is vastgelegd:

“Aantoonbare nadelen in de sfeer van pensioen en/of overige arbeidsvoorwaarden zullen financieel worden gecompenseerd ten tijde dat deze nadelen zich in concreto voordoen. Voor wat betreft het pensioen houdt dat in dat het eventuele nadelige verschil tussen het pensioen waarop u aanspraak heeft en het pensioen waarop u aanspraak zou hebben indien u in dienst van de gemeente zou zijn gebleven aan u zal worden vergoed. Voor wat betreft de overige arbeidsvoorwaarden (….).”

1.1. Na een verzoek van appellant om bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar toepassing te geven aan de hiervoor geciteerde bepaling, een voorstel van het college en appellants deels afwijzende reactie, heeft het college op 25 augustus 2009 besloten door middel van een eenmalige koopsom een voorziening te treffen ter aanvulling van appellants ouderdomspensioen van € 4.610, 93 bruto per jaar. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 januari 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is in geschil de vraag of het college, naast het jaarlijkse bedrag van € 4.610,93 (het bedrag ten gevolge van vooral de beperkte opbouw van pensioen in de wachtgeldperiode) ook het bedrag dient te compenseren, dat bij voortzetting van het dienstverband bij de gemeente Zederik tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zou zijn toegevoegd aan het ouderdomspensioen van appellant. Zoals blijkt uit een berekening door de Stichting Pensioenfonds ABP betreft dit € 1.453,62 als ‘rest FPU’ en € 3.116,71, als ‘bonus FPU’, in totaal dus een jaarlijks bedrag van € 4.570,33.

4. Naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.1. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, kan naar vaste rechtspraak (CRvB 22 mei 2008, LJN BD2813 en TAR 2008, 171) de vraag wat partijen zijn overeengekomen bij de vaststelling van een overeenkomst niet enkel worden beantwoord op grond van een strikte taalkundige uitleg van de bewoordingen daarvan. Van belang is eveneens wat partijen over en weer ten aanzien van die bewoordingen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.2. Ten tijde van appellants dienstverband en zijn ontslag gold de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden, een publiekrechtelijke regeling die ambtenaren in de zin van de Algemeen burgerlijke pensioenwet onder bepaalde voorwaarden een uitkering verzekerde bij ontslagname enige tijd vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Deze publiekrechtelijke regeling beoogde een bijdrage te leveren in de werkloosheidbestrijding en is ingetrokken met ingang van 1 januari 1996. Onder de vigeur van de Wet van 21 december 1995 tot vaststelling van een kader voor regeling van rechten en verplichtingen van overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel ter zake van vrijwillig vervroegd uittreden (Wet kaderregeling vut overheidspersoneel, Stb 1995, 640) is vanaf 1 april 1997 de regeling Flexibel pensioen en uittreden (FPU) tot stand gekomen. De FPU is een regeling uit hoofde van een privaatrechtelijke vut-overeenkomst als bedoeld in de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel. Deze impliceerde onder meer dat het niet gebruik maken van de FPU leidde tot een verhoging van het ouderdomspensioen.

4.3. Gelet op de uitkeringsregelingen zoals die golden gedurende appellants aanstelling hebben partijen bij het sluiten van de overeenkomst van 12 maart 1991 geen rekening kunnen houden met het stelsel van de FPU en de daarbij vastgestelde regel van de verhoging van het ouderdomspensioen indien de betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van een eerdere pensionering dan op de leeftijd van 65 jaar. Appellant kan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst dus geen verwachtingen hebben gekoesterd over een dergelijk voordeel en het college kan niet beoogd hebben een dergelijk misgelopen nadeel te compenseren. Appellant heeft ook niet laten blijken dat bij hem in de periode voor hij 65 jaar werd de verwachting is ontstaan op de desbetreffende verhoging. Zijn argumentatie was steeds uitsluitend gelegen in de taalkundige uitleg van de overeenkomst.

4.4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.N.A. Bootsma en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J.T.P. Pot