Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY7718

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2013
Datum publicatie
04-01-2013
Zaaknummer
11-4636 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziekten of gebreken. Functieaanbod. Het college mocht, toen na het aanbod ruim een maand was verstreken en een duidelijke reactie van de kant van appellant was uitgebleven, de conclusie trekken dat hij het aanbod niet wenste te aanvaarden. Het college was niet gehouden om eerst bij appellant te informeren wat zijn reactie was. Bij dit oordeel is in aanmerking genomen dat het college zich heeft ingespannen om te voorkomen dat de ongeschiktheid van appellant voor zijn functie zou leiden tot ontslag door hem tweemaal een aanbod te doen voor een functie met een aangepast takenpakket binnen de gemeente Westerveld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4636 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 30 juni 2011, 10/558 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Westerveld (college)

Datum uitspraak: 3 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.H. Houben hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Houben. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Kragten, bijgestaan door T. de Boer en R.P. Koning.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was bij de gemeente Westerveld in vaste dienst werkzaam in de functie medewerker Beleid en Projecten B. Vanaf 2008 ontstond in toenemende mate kritiek op zijn functioneren. In 2009 is een beoordeling vastgesteld met als samenvattend oordeel dat de functievervulling (nog) niet op alle punten voldoende is. Tijdens het beoordelingsgesprek van 12 mei 2009 is geconstateerd dat het functioneren van appellant tekortkomingen bleef vertonen.

1.2. Als uitvloeisel hiervan zijn gesprekken met appellant gevoerd over de mogelijkheden om hem een andere plek binnen de organisatie te geven met minder verantwoordelijkheid en minder stress. In dat kader heeft [B.] (B), leidinggevende van appellant, tijdens een gesprek op 8 oktober 2009 aangeboden hem te plaatsen in de functie medewerker backoffice bij de afdeling WOZ/belastingen. Appellant heeft dat aanbod schriftelijk van de hand gewezen. In een vervolggesprek op 19 november 2009 heeft B aan appellant een nieuw functieaanbod gedaan. Het ging hier om de structurele functie medewerker uitvoering en ondersteuning beleid en projecten. B heeft de bij deze functie behorende taken tijdens het gesprek toegelicht. Afgesproken is dat appellant het aanbod per e-mail ontvangt en dat hij na overleg met de vakbond op korte termijn reageert. Het college heeft het aanbod op 19 november 2009 per e-mail aan appellant bevestigd. In afwachting van een nieuwe functie zijn aan hem andere werkzaamheden opgedragen.

1.3. Appellant heeft B in zijn e-mail van 7 december 2009 meegedeeld dat de vakbond namens hem die dag een brief zal sturen waarin formeel stelling wordt genomen tegen de besluitvorming van de gemeente, dat hij echt met de situatie omhoog zit, dat hij niet weet wat goed is op het moment en dat hij een dag vrij neemt om alles weer op een rijtje te krijgen. Bij de aangekondigde brief van 7 december 2009 is namens appellant onder andere meegedeeld dat hij heeft vernomen dat iemand anders is benoemd in zijn functie, dat hij niet akkoord gaat met deze kennelijke ontheffing uit zijn functie, dat hij vooralsnog zijn functie eist en zijn werkzaamheden wenst te hervatten en dat nader bericht zal volgen. In een e-mail van

13 december 2009 aan B heeft appellant te kennen gegeven dat hij het nog niet op een rijtje krijgt en dat de brief van 7 december 2009 hem weer behoorlijk heeft teruggeworpen en aan het twijfelen heeft gezet.

1.4. Bij brief van 23 december 2009 heeft het college aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem ontslag te verlenen wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten of gebreken. In reactie op dit voornemen heeft appellant zich bij brief van 30 december 2009 bereid verklaard de aangeboden functie te accepteren en verzocht om af te zien van het voorgenomen ontslag. Bij brief van 5 januari 2010 heeft het college aan appellant meegedeeld dat de reacties op het aanbod tot geen andere conclusie leiden dan dat hij de aangeboden functie niet had geaccepteerd. Het college heeft het verzoek om alsnog van dit aanbod gebruik te mogen maken afgewezen, onder andere omdat de omstandigheden sinds het aanbod van 19 november 2009 zijn gewijzigd waardoor er geen ruimte meer is om voor appellant een takenpakket boven de sterkte te creëren.

1.5. Bij besluit van 28 januari 2010 heeft het college appellant per 1 juni 2010 ontslag verleend. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 juli 2010

(bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de brief van 7 december 2009 een voorlopig karakter had en in samenhang met de e-mail van die datum moet worden gelezen. Appellant stelt dat hij het aanbod van 19 november 2009 expliciet noch impliciet heeft geweigerd, dat het college als goed werkgever bij hem om opheldering had behoren te vragen of een concrete reactietermijn had moeten stellen en dat het college bij zijn besluitvorming ten onrechte ervan is uitgegaan dat appellant het gedane aanbod van de hand heeft gewezen. In dit verband wijst appellant erop dat hij in december 2009 feitelijk al onderdelen van de aangeboden functie vervulde. Appellant heeft tot slot verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade.

3.2. Het college heeft het standpunt gehandhaafd dat uit de e-mail van appellant van 7 december 2009 en uit de brief van zijn gemachtigde van dezelfde datum niet blijkt dat appellant akkoord ging met het aanbod en evenmin dat hij meer tijd vroeg om zich op dat aanbod te beraden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat het college bevoegd was om appellant met toepassing van artikel 8:6 van de CAR/UWO ontslag te verlenen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziekten of gebreken. Het geschil is beperkt tot de vraag of het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid en in het bijzonder of het college in de reactie van appellant op het aanbod van 19 november 2009 aanleiding had moeten vinden om van het verlenen van ontslag af te zien.

4.2. Gelet op de afspraken die op 19 november 2009 zijn gemaakt, lag het op de weg van appellant om op korte termijn een eenduidige reactie te geven op het gedane functieaanbod. Uit de correspondentie die in de periode na 19 november 2009 tussen appellant en het college is gevoerd is niet af te leiden dat appellant het aanbod expliciet heeft afgewezen. Daaruit blijkt echter ook niet dat appellant dat aanbod aanvaardde. Uit het feit dat appellant tijdelijk taken verrichtte die (ook) voorkwamen in de aangeboden functie is evenmin een aanvaarding van het aanbod af te leiden. In de e-mails van appellant van 7 en 13 december 2009 klinkt wel door dat appellant worstelde met de vraag of hij het aanbod moest aanvaarden, maar daarin kan geen verzoek van appellant worden gelezen om meer bedenktijd. Onder die omstandigheden mocht het college, toen na het aanbod ruim een maand was verstreken en een duidelijke reactie van de kant van appellant was uitgebleven, de conclusie trekken dat hij het aanbod niet wenste te aanvaarden. Het college was niet gehouden om eerst bij appellant te informeren wat zijn reactie was. Bij dit oordeel is in aanmerking genomen dat het college zich heeft ingespannen om te voorkomen dat de ongeschiktheid van appellant voor zijn functie zou leiden tot ontslag door hem tweemaal een aanbod te doen voor een functie met een aangepast takenpakket binnen de gemeente Westerveld.

4.3. In de brief van 30 december 2009 die volgde op het ontslagvoornemen heeft het college geen aanleiding hoeven te zien om af te zien van het ontslag en aan appellant opnieuw een aanbod te doen voor een ander takenpakket, aangezien de omstandigheden waaronder het aanbod van 19 november 2009 is gedaan inmiddels waren gewijzigd. Uit het voorgaande volgt dat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid

4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5.1. Gelet op dit oordeel is er geen ruimte voor de door appellant gevraagde veroordeling van het college tot vergoeding van schade.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.N.A. Bootsma en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J.T.P. Pot