Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY7706

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2013
Datum publicatie
04-01-2013
Zaaknummer
11-4603 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging disciplinaire straf. Plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4603 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 23 juni 2011, 11/28 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van gedeputeerde staten van de provincie Fryslân (college)

Datum uitspraak: 3 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.C.G. van der Sman hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Sman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.F.M. van Hoof, bijgestaan door H. Tulmer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is sinds 1 juni 2006 werkzaam als grondverwerver bij de provincie Fryslân (provincie). In deze functie (schaal 11) vertegenwoordigt hij de provincie en onderhandelt hij namens de provincie in kwesties waarin grote (financiële) belangen op het spel staan.

1.2. Voor het verbreden van de provinciale weg N392 heeft appellant namens de provincie de naastgelegen grond aangekocht. Voor de aanbesteding van het kappen van de daarop staande bomen (circa 57 eiken en circa 134 populieren) is in januari 2010 een concept werkbestek gemaakt waarin de bomen, zoals gebruikelijk, aan de aannemer zouden vervallen. Medio februari 2010 heeft de leidinggevende van appellant, S, bij toeval ontdekt dat de senior projectleider, K, het bestek voor de eiken zo had laten wijzigen dat het vrijgekomen hout niet aan de aannemer zou vervallen, maar in stukken van 3 meter zou worden gezaagd en vervoerd zou worden naar een perceel in de nabijheid van de woning van appellant. De leidinggevende van K, V, heeft vervolgens de aanbesteding tijdelijk stopgezet en het bestek aangepast.

1.3. Het college heeft een onderzoek ingesteld naar de vraag of appellant en K de integriteitregels hebben overtreden. Daarbij heeft K verklaard dat appellant en zij hadden afgesproken om het “goede hout” (de eiken) op het terrein van appellant neer te leggen met de bedoeling om dit voor eigen gebruik, te weten als brandhout, te gebruiken. Zij meende dat het hout geen waarde had en was niet op de hoogte van de gebruikelijke gang van zaken waarbij het hout toevalt aan de aannemer en een korting oplevert op de aanneemsom. Appellant heeft verklaard dat hij op de vraag van K of hij belang had bij hout te kennen heeft gegeven dat hij geïnteresseerd was en dat het hout wel op zijn terrein kon worden opgeslagen. Dat terrein ligt niet ver van de locatie waar de bomen zouden worden gekapt en hij meende dat het de provincie geld zou besparen als de aannemer het grotendeels waardeloze snoeihout dichtbij kon deponeren. Hij was bereid om zijn grond belangeloos ter beschikking te stellen. Het hout had verkocht kunnen worden aan geïnteresseerden en/of provinciale medewerkers. Appellant nam aan dat de opbrengst daarvan ten goede zou komen aan de provincie. Hij heeft niet overlegd met zijn leidinggevende en geen afspraken gemaakt over het beschikbaar stellen van zijn terrein. Appellant ging ervan uit dat K dat zou regelen en vindt dat alles transparant is gebeurd omdat het in het bestek was vastgelegd. Hij wist niet dat daar in stond dat alleen het eikenhout op zijn terrein zou worden gestort.

1.4. Op grond van de resultaten van het onderzoek heeft het college geconcludeerd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan toerekenbaar ernstig plichtsverzuim. In zijn functie van grondverwerver dient hij elke schijn van belangenverstrengeling te vermijden. Door zijn terrein ter beschikking te stellen voor de opslag van hout heeft appellant een ongeoorloofde schijn van belangenverstrengeling op zich geladen. Het college acht de verklaring van appellant dat hij de provincie kosten had willen besparen ongeloofwaardig en acht de conclusie gerechtvaardigd dat hij zichzelf heeft willen bevoordelen. De provincie heeft geen behoefte aan hout of aan de opslag daarvan, er is niets vastgelegd over gebruik van het perceel en een eventuele vergoeding daarvoor, mede gezien mogelijke schade aan het terrein door de houtopslag, en appellant heeft de constructie niet aan zijn leidinggevende gemeld. Gezien het gebruik om de opbrengst van vrijgekomen kaphout in mindering te brengen op de aanneemsom, zou de handelwijze van appellant tot benadeling van de provincie hebben geleid.

1.5. Na het voornemen om een disciplinaire straf op te leggen, heeft het college bij besluit van 27 april 2010 op grond van artikel G.3, bezien in samenhang met artikel G.4, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP) aan appellant een schriftelijke berisping opgelegd en een boete van € 1000,-.

1.6. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 27 april 2010 bij besluit van 19 november 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft nogmaals benadrukt dat hij zijn terrein belangeloos aan de provincie ter beschikking wilde stellen. Om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen had aan de aannemer eenvoudig kunnen worden toegelicht dat het hout uit kostenbesparing op het privéterrein van een provincieambtenaar zou worden opgeslagen en dat de opbrengst ten goede zou komen aan de provincie. Appellant stelt dat hij niet bekend was met het gebruik dat aannemers de aanneemsom verminderen indien het hout aan hen vervalt en dat hij heeft vertrouwd op K, die senior projectleider was, en om die reden zijn eigen leidinggevende niet op de hoogte heeft gebracht van de constructie. In de toelichting bij artikel G.4 van de CAP staat vermeld dat de financiële straf van een geldboete voor de hand ligt als de openbare dienst door het plichtsverzuim op geld waardeerbare schade heeft geleden. De provincie heeft echter geen schade geleden door het vermeende plichtsverzuim, zodat het opleggen van een geldboete volgens appellant onjuist is. Dat de provincie geen schade heeft geleden is niet alleen te danken aan het ingrijpen van de leidinggevenden; ook als de bomen daadwerkelijk op zijn perceel zouden zijn opgeslagen had de provincie geen schade geleden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft, weliswaar in samenspraak met K, maar zonder overleg met een leidinggevende, meegewerkt aan een wijziging van het bestek voor de aanbesteding van de bomenkap waardoor een deel van het hout dat eigendom was van de provincie op zijn privéterrein zou worden opgeslagen. Hij heeft zich er vooraf niet van vergewist of het college hier behoefte aan had en om welk hout het precies ging. Hij heeft niets afgesproken over de condities waaronder en hoe lang het hout zou worden opgeslagen en wat er vervolgens mee zou gebeuren. Onder deze omstandigheden is niet uit te sluiten dat appellant het hout (mede) voor eigen gebruik had bestemd en heeft hij in ieder geval de schijn van belangenverstrengeling op zich geladen. Dat deze schijn in een toelichting aan de aannemer(s) mogelijk weggenomen had kunnen worden is niet van belang nu van de medewerkers, mede gelet op het integriteitbeleid zoals dat bij de provincie sinds 2009 wordt gevoerd, verwacht mag worden dat zij ook zelf de schijn van belangenverstrengeling vermijden. Daarbij hebben de medewerkers een eigen verantwoordelijkheid. Indien de leidinggevende er geen stokje voor hadden gestoken, zou het eikenhout niet aan de aannemer zijn vervallen en zou de waarde daarvan ook niet op de aanneemsom in mindering kunnen worden gebracht. Dit zou een aanzienlijke benadeling van het college hebben opgeleverd. Of appellant op de hoogte was van het onder 1.2 genoemde gebruik is daarvoor niet relevant.

4.2. Met zijn handelwijze heeft appellant zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, zodat het college bevoegd was om appellant een disciplinaire straf op te leggen. Voor de bevoegdheid tot het opleggen van een geldboete is niet vereist dat het college daadwerkelijk op geld waardeerbare schade heeft geleden. Dat er door het ingrijpen van de leidinggevenden uiteindelijk geen of geringe op geld waardeerbare schade was, is dan ook niet van belang. De Raad acht de opgelegde schriftelijke berisping in combinatie met de geldboete van € 1.000,- niet onevenredig aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

4.3. Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.N.A. Bootsma en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J.T.P. Pot