Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY7701

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2013
Datum publicatie
04-01-2013
Zaaknummer
12-1429 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om vergoeding voor de bewegingstherapie wederom te verlengen. De Raad is van oordeel dat verweerder op goede gronden de door appellant gevolgde training niet langer heeft beschouwd als een op medisch voorschrift gevolgde (bewegings)therapie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1429 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 3 januari 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 januari 2012, kenmerk BZ01354422 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2012. Appellant is met bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in 1977 erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). In causaal verband met de vervolging zijn aanvaard psychische klachten en knie- en voetklachten, ontstaan na een infectie aan de benen. Bij besluit van 31 december 2002 is aan appellant onder meer met ingang van 1 juni 2001 toegekend een vergoeding voor de door de behandelend arts voorgeschreven bewegingstherapie, door een erkend fysiotherapeut, tot ten hoogste 24 behandelingen te ondergaan in een periode van tenminste één jaar. Bij besluit van 1 juni 2004 is deze voorziening verlengd voor de periode van 1 juni 2002 tot 1 juni 2003. Per 1 juli 2008 zijn de aanspraken van appellant op grond van de Wuv omgezet naar aanspraken op grond van de Wubo. Bij besluit van 5 december 2008 is de voorziening voor bewegingstherapie wederom toegekend voor de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2010.

1.2. Op 14 februari 2011 heeft appellant verzocht de vergoeding voor de bewegingstherapie wederom te verlengen. Bij besluit van 31 mei 2011 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Het hiertegen gerichte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Verweerder heeft het verzoek van appellant afgewezen, omdat uit ontvangen informatie is gebleken dat er sprake is van een vorm van fitness, waarbij appellant zelfstandig traint. Appellant is ook al jaren niet meer gezien door zijn behandelend arts dr. Trost of bij hem ter controle verschenen. Van bewegingstherapie is daarom geen sprake meer.

2.2. Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt dat appellant al geruime tijd niet meer onder behandeling is van dr. Trost. Deze arts heeft dit ook bevestigd in zijn brief van 28 maart 2011 aan de medisch adviseur van verweerder. Appellant heeft ook erkend dat hij voor het laatst in april 2009 bij dr. Trost is geweest. De aanvraag om verlenging van de voorziening in 2011 is dan ook niet ondersteund door een medische verklaring. Appellant heeft in beroep nog gesteld dat hij, na het telefonisch horen in bezwaar, op 5 oktober 2011 de behandelend therapeut dr. Georgiopoulos, opvolger van dr. Trost, heeft bezocht, maar een medische verklaring omtrent diens bevindingen is niet overgelegd. Voorts heeft verweerder er niet ten onrechte op gewezen dat het door appellant volgens eigen opgave gevolgde trainingsprogramma ook een aantal oefeningen bevat voor klachten, zoals rugklachten, die niet vervolgingsgerelateerd zijn. De Raad is derhalve van oordeel dat verweerder op goede gronden de door appellant gevolgde training niet langer heeft beschouwd als een op medisch voorschrift gevolgde (bewegings)therapie.

3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) E. Heemsbergen