Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY7693

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2013
Datum publicatie
04-01-2013
Zaaknummer
12/2380 WUV + 12/2381 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om vergoeding van de kosten voor verzorgingshulp. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van de geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen. Het (herhaalde) standpunt van appellant dat zijn klachten verband houden met het ongeval dat hij tijdens het verrichten van dwangarbeid heeft gehad kan daarom ook nu niet worden onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2380 WUV, 12/2381 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 3 januari 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 maart 2012, kenmerk BZ01348058 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2012. Namens appellant is verschenen J.J. Gijsman als zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1924, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat de nerveuze klachten en de darmklachten in het vereiste verband staan met de ondergane vervolging. Een dergelijk verband heeft verweerder niet aangenomen ten aanzien van de rugklachten, knieklachten, linkerheup- en beenklachten. In de loop der tijd zijn aan appellant verschillende bijzondere voorzieningen op grond van de Wuv toegekend.

1.2. In april 2011 heeft appellant bij verweerder een aanvraag ingediend om vergoeding van de kosten voor verzorgingshulp. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 22 april 2011 en die afwijzing na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. De bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering tot vergoeding van verzorgingshulp, bestaande uit sociale begeleiding en verpleegkundige hulp, heeft verweerder gebaseerd op de overweging dat de gevraagde voorziening verband houdt met klachten aan het bewegingsapparaat en duizeligheidsklachten die niet in verband kunnen worden gebracht met de vervolging. Dit standpunt is gebaseerd op adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Deze adviezen berusten onder meer op een persoonlijk onderhoud dat appellant heeft gehad met een van deze geneeskundig adviseurs en op informatie van de orthopeed en traumatoloog dr. R.O. Tangkas Sibarani. Uit de adviezen komt wederom naar voren dat de rug- en knieklachten alsmede de, (linker- en rechter-) heupklachten degeneratieve en leeftijdsgebonden aandoeningen zijn en niet in verband kunnen worden gebracht met de vervolging. Zo zijn op de röntgenfoto’s geen posttraumatische afwijkingen aangetroffen die het gevolg zouden kunnen zijn van het gestelde ongeval met een ijzeren kar tijdens de internering. Met betrekking tot de gemelde duizeligheidsklachten is geoordeeld dat deze klachten zijn toe te schrijven aan tijdelijke afwijkingen van het evenwichtsorgaan. Verder is aangegeven dat, gezien het moment van tot uiting komen van de duizeligheidsklachten en de leeftijd van appellant, een verband met de vervolging niet kan worden aangenomen, maar dat (ook) deze klachten moeten worden gezien als een leeftijdsgebonden en degeneratieve dan wel constitutionele aandoening.

2.2. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van de geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen. Het (herhaalde) standpunt van appellant dat zijn klachten verband houden met het ongeval dat hij tijdens het verrichten van dwangarbeid heeft gehad kan daarom ook nu niet worden onderschreven.

2.3. Uit het voorgaande volgt dat appellant niet in aanmerking kan worden gebracht voor de door hem gevraagde verzorgingshulp. Ter zitting is namens appellant nog aangegeven dat de aanvraag van appellant is ingegeven uit angst dat in de toekomst de door hem benodigde hulp niet kan worden geboden. In dat verband wordt nog opgemerkt dat indien de (causale) klachten daartoe aanleiding geven appellant de mogelijkheid heeft zich opnieuw tot verweerder te wenden met de aanvraag voor hulp.

2.4. Het beroep van appellant dient ongegrond te worden verklaard.

3. Voor zover appellant heeft beoogd beroep in te stellen tegen het besluit van verweerder van eveneens 5 maart 2012 (kenmerk BZ03190354) dient ook dat beroep ongegrond te worden verklaard. Verweerder heeft terecht het medicijn Neurontin niet voor vergoeding in aanmerking gebracht nu niet is betwist dat dit medicijn is voorgeschreven vanwege de

niet-causale lichamelijke klachten.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) E. Heemsbergen