Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY7687

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2013
Datum publicatie
04-01-2013
Zaaknummer
11-1138 BPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling ingangsdatum. De eerste aanvraag was uitsluitend gebaseerd op het verzet van appellantes vader. Diens verzet werd niet gezien als de belangrijkste oorzaak van het ontstaan van psychische problematiek van appellante. Weliswaar heeft zij destijds gewezen op de inbreuk die de bezetter heeft gemaakt op het gezinsleven (door huiszoekingen en de korte arrestatie van de moeder), maar de verschillende rapportages lieten zien dat het accent lag op ervaringen van na de oorlog. Dat medici met de kennis van nu tot een ander oordeel zijn gekomen, is onvoldoende om te kunnen spreken van een aan verweerder toe te rekenen aperte fout. Zoals is bevestigd in de uitspraak kon verweerder dan ook destijds beslissen zoals hij heeft gedaan. Verweerder heeft dus op goede gronden geen aanleiding gezien om aan de ingangsdatum van het buitengewoon pensioen een terugwerkende kracht te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1138 BPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 3 januari 2013

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de plaats getreden van de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de

- voormalige - Raadskamer WBP van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 januari 2011, kenmerk BZ01240729 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2012. Daar is appellante verschenen, bijgestaan door M.A.M. Willems. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is geboren in 1940. Bij besluit van 23 december 1997 heeft verweerder afwijzend beslist op haar aanvraag van februari 1997 om toekenning van een buitengewoon pensioen op grond van de Wbp. Overwogen werd dat geen aanleiding bestaat om appellante met de deelnemer aan het verzet gelijk te stellen omdat niet is gebleken dat het verzet van haar vader heeft geleid tot een ernstige verstoring van haar levensomstandigheden. Het daartegen ingediende bezwaar is bij het besluit van 26 oktober 1998 ongegrond verklaard. Dat besluit is door de Raad vernietigd bij de uitspraak 21 maart 2002 (nr 98/8301 BPW) omdat het besluit niet met de nodige zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

1.2. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad is appellante onderzocht door de zenuwarts W. Hiddema. Op basis van de resultaten van dat onderzoek heeft verweerder bij het besluit van 23 december 2002 wederom het standpunt ingenomen dat het verzet van haar vader bij appellante niet heeft geleid tot de vereiste verstoring van de levensomstandigheden. Het tegen dat besluit ingestelde beroep heeft de Raad bij uitspraak van 13 mei 2004 (nr 03/487 BPW) ongegrond verklaard. Evenals verweerder heeft de Raad in de aanwezige rapporten, waaronder het in beroep overgelegde rapport van de psychiater E. Gans, een bevestiging gezien dat het verzet van de vader niet de belangrijkste oorzaak is geweest voor het ontstaan van de psychische problematiek van appellante.

1.3. In juni 2007 heeft appellante verzocht de eerdere afwijzing te herzien, waarbij zij heeft verwezen naar de verzetsactiviteiten van haar moeder. Na een aanvankelijke afwijzing van dat verzoek bij besluit van 4 februari 2009 heeft verweerder na gemaakt bezwaar bij besluit van 2 december 2009 appellante alsnog gelijkgesteld met de deelnemer aan het verzet. Op basis van de resultaten van het in bezwaar verrichte onderzoek door de geneeskundig adviseur

A.M. Ohlenschlager en de informatie van de psychiater M.A.M. Willems is alsnog geconcludeerd dat het verzet van beide ouders en de arrestatie van haar moeder bij appellante hebben geleid tot een ernstige verstoring van de levensomstandigheden.

1.4. Ter uitvoering van het besluit van 2 december 2009 heeft verweerder bij besluit van 17 augustus 2010 aan appellante met ingang van 1 juli 2007 een buitengewoon pensioen toegekend. Het bezwaar gericht tegen de ingangsdatum van het toegekende buitengewoon pensioen is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

1.5. In beroep, evenals in bezwaar, heeft appellante betoogd dat de ingangsdatum van het buitengewoon pensioen geplaatst moet worden in 1997, omdat destijds door verweerder onjuiste beslissingen zijn genomen.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Verweerder hanteert de beleidsregel dat bij inwilliging van een verzoek om herziening de ingangsdatum van het toe te kennen pensioen in beginsel, naar analogie van het bepaalde in artikel 26, tweede lid van de Wbp, wordt vastgesteld op de eerste dag van de maand volgend op die waarin het verzoek is ingediend. Verweerder ziet alleen aanleiding om aan een herziening terugwerkende kracht te verlenen indien bij de eerdere afwijzing sprake is van een aan hem toe te rekenen, aperte fout. Dit beleid is in vaste rechtspraak niet onredelijk geacht.

2.2. In het kader van het onderhavige verzoek om herziening zijn verzetsactiviteiten van de moeder naar voren gekomen, waardoor een duidelijker beeld is ontstaan van de gezinssituatie waarin appellante tijdens de oorlog heeft verkeerd. Dit zijn ervaringen waarvan appellante pas heeft gehoord tijdens een vakantie met haar moeder in 2004. Daarbij is ook gebleken van ontwikkelingsstoornissen die bij appellante reeds in de vroege jeugd aan de dag zijn getreden. De eerste aanvraag was echter uitsluitend gebaseerd op het verzet van appellantes vader. Diens verzet werd niet gezien als de belangrijkste oorzaak van het ontstaan van psychische problematiek van appellante. Weliswaar heeft zij destijds gewezen op de inbreuk die de bezetter heeft gemaakt op het gezinsleven (door huiszoekingen en de korte arrestatie van de moeder), maar de verschillende rapportages lieten zien dat het accent lag op ervaringen van na de oorlog. Dat medici met de kennis van nu tot een ander oordeel zijn gekomen, is onvoldoende om te kunnen spreken van een aan verweerder toe te rekenen aperte fout. Zoals is bevestigd in de onder 1.2. genoemde uitspraak kon verweerder dan ook destijds beslissen zoals hij heeft gedaan. Verweerder heeft dus op goede gronden geen aanleiding gezien om aan de ingangsdatum van het buitengewoon pensioen een terugwerkende kracht te verlenen.

2.3. Het voorgaande brengt mee dat het beroep ongegrond moet worden

verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) E. Heemsbergen