Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:978

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2013
Datum publicatie
16-07-2013
Zaaknummer
12-825 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Het medisch onderzoek is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Op inzichtelijke en overtuigende wijze is onderbouwd dat appellant weer geschikt moet worden geacht voor (één van) de functies die in 2008 zijn geselecteerd in het kader van de Wet WIA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/825 ZW

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ̕s-Gravenhage van

17 november 2011, 11/6035 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te ̕[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. Arslaner, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2013. Namens appellant is

mr. Arslaner verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk voor 40 uur per week werkzaam geweest als agrarisch medewerker. Op 30 oktober 2006 is hij uitgevallen met zowel lichamelijke als psychische klachten. Met ingang van het einde van de wachttijd, 27 oktober 2008, heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het Uwv heeft appellant destijds geschikt geacht voor de functies van wikkelaar, samensteller kunststof- en rubberindustrie en parkeercontroleur. Appellant heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.

1.2. Per 30 oktober 2009 heeft appellant zich vanuit de situatie waarin hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving ziek gemeld met toegenomen klachten. Hij heeft naar aanleiding hiervan een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Deze uitkering heeft het Uwv met ingang van 3 november 2009 beëindigd omdat appellant weer geschikt werd geacht voor de in het kader van de Wet WIA geduide functies.

1.3. Op 29 oktober 2010 heeft appellant zich met cardiale- en vermoeidheidsklachten opnieuw ziek gemeld vanuit de WW. Naar aanleiding hiervan heeft appellant een ZW-uitkering ontvangen. Appellant heeft een aantal keer het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts, laatstelijk op 16 mei 2011. Verzekeringsarts G.W. Alibahadoer heeft appellant, op basis van de bevindingen uit de spreekuuronderzoeken en verkregen informatie van de behandelend sector, met ingang van de datum van het spreekuuronderzoek weer geschikt geacht voor de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Op basis van de bevindingen van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 16 mei 2011 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 16 mei 2011 beëindigd.

1.4. Bij besluit van 15 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 mei 2011 ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een rapportage van bezwaarverzekeringsarts R. Blanker van 14 juni 2011.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien om het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voor onzorgvuldig of onjuist te houden of om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts bij zijn medisch oordeel de informatie van de behandelend sector heeft betrokken. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van de te hanteren maatstaf arbeid verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad en tot slot geoordeeld dat elk van de eerder in het kader van de Wet WIA aan appellant geduide functies, voor hem passend te achten is.



3. Appellant heeft in hoger beroep in essentie gelijke gronden als in bezwaar en beroep aangevoerd. Hij stelt zich op het standpunt dat de rechtbank zich te veel heeft laten leiden door het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts en onvoldoende aandacht heeft gehad voor de door hem aangevoerde gronden. Appellant is vanwege zijn klachten, waarvoor hij onder medische behandeling is, niet in staat de destijds in het kader van de Wet WIA beoordeling geduide functies te verrichten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant in zowel bezwaar, beroep als hoger beroep nadere (medische) gegevens overgelegd. Tevens is hij van oordeel dat in het kader van de onderhavige ZW-beoordeling ten onrechte wordt uitgegaan van de in 2008 geduide functies nu deze zijn belastbaarheid overschrijden en hij niet voldoet aan de gestelde opleidingseisen. Tot slot stelt appellant dat de functies en (loon)gegevens niet actueel meer zijn.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft geoordeeld gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2.

Dat voor appellant met ingang van 27 oktober 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA staat in rechte vast. Dat betekent dat in dit geding van de juistheid van de destijds vastgestelde belastbaarheid van appellant en de voor hem in dat kader geduide functies dient te worden uitgegaan. Gelet hierop treffen de arbeidskundige gronden van appellant, gericht tegen de geduide functies, geen doel.

4.3.

In deze procedure staat, mede gelet op het vorenstaande, uitsluitend de geschiktheid van appellant op 16 mei 2011 voor ten minste één van de in het kader van de Wet WIA geduide functies ter discussie.

4.4.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek dat het Uwv ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij wordt van belang geacht dat verzekeringsarts Alibahadoer appellant op het spreekuur heeft gesproken, zowel lichamelijk als psychisch onderzoek heeft verricht en voorts informatie van de behandelend sector tot haar beschikking had. In bezwaar heeft vervolgens onderzoek plaatsgevonden door bezwaarverzekeringsarts Blanker, die appellant eveneens op het spreekuur heeft gesproken, psychisch onderzoek heeft verricht en de voorhanden zijnde recente informatie bij zijn heroverweging van het primaire besluit heeft betrokken. Vervolgens heeft deze arts, daarbij ingaande op de in bezwaar aangevoerde gronden, in zijn rapport van 14 juni 2011 op inzichtelijke en overtuigende wijze onderbouwd dat appellant weer geschikt moet worden geacht voor (één van) de functies die in 2008 zijn geselecteerd in het kader van de Wet WIA. Daarbij concludeert hij dat ten opzichte van de beoordeling, zoals deze in 2008 in het kader van de Wet WIA aanvraag heeft plaatsgevonden, alleen op cardiaal vlak sprake is van daadwerkelijk nieuwe problematiek. Deze problematiek is echter naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts niet dusdanig van ernst dat hier beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid uit voortkomen. Nu de in het kader van de Wet WIA geduide functies cardiaal zeer laagbelastend zijn en er zowel in bezwaar als beroep geen medische informatie is overgelegd waaruit blijkt dat de gezondheidstoestand van appellant en de daaruit voor het verrichten van arbeid voortvloeiende beperkingen per datum in geding anders waren dan waartoe primair werd geconcludeerd, bestaat er voor de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding om af te wijken van het primaire medische oordeel.

Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de in beroep overgelegde medische informatie van onder meer de arts R.F. Veldkamp van de afdeling Spoed Eisende Hulp, waar appellant op 21 augustus 2011 wegens onder meer klachten van druk op de borst werd onderzocht, in zijn rapport van 31 augustus 2011 gemotiveerd gesteld dat deze informatie hem geen aanleiding geeft tot het innemen van een ander standpunt. Daarbij acht de bezwaarverzekeringsarts van belang dat uit de hiervoor vermelde medische informatie blijkt dat bij appellant geen sprake is van significant coronair lijden.

4.5.

Nu door appellant in hoger beroep geen medische gegevens zijn aangedragen die niet eerder bekend waren of die door het Uwv niet in de beoordeling zijn betrokken, is er geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de in 4.4 beschreven beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts.

4.6.

De in hoger beroep door appellant overgelegde informatie, opgesteld in het kader van de Wet Werk en Bijstand en Wet maatschappelijke ondersteuning, leidt niet tot een ander oordeel nu deze informatie geen nieuwe, op de datum in geding betrekking hebbende, medische informatie omvat.

4.7.

Hetgeen in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen, leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.J. Govaers en

J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) D.E.P.M. Bary

sg