Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:884

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2013
Datum publicatie
10-07-2013
Zaaknummer
12-1400 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de drie criteria voor een arbeidsovereenkomst wordt voldaan zodat appellant in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond ten opzichte van de coöperatie en op grond van artikel 3, eerste lid, van de WW werknemer was in de zin van de WW. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/1704
RSV 2013/267
USZ 2013/310 met annotatie van E. Alink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/1400 WW

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

26 januari 2012, 11/1814 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.C.M. van den Hoek hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Van den Hoek heeft zich teruggetrokken als gemachtigde van appellant. Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2013. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord.

Nadat partijen desgevraagd toestemming hebben gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen, heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren in 1951, is sinds 1 juli 2007 als directeur werkzaam geweest bij [naam werkgever] (coöperatie). Dit betrof een coöperatieve vereniging die integrale dienstverlening ter beschikking stelde aan pensioenfondsen die lid waren van de coöperatie. Hij was tevens lid van het bestuur. Nadat de overige bestuursleden in oktober 2009 besloten hun zetel ter beschikking te stellen heeft appellant de activiteiten van de coöperatie voortgezet met als doel de continuïteit te waarborgen met appellant als enig bestuurder.

1.2. Bij vonnis van 7 december 2010 van de rechtbank Amsterdam is de coöperatie failliet verklaard. De curator heeft bij brief van 9 december 2010 de arbeidsovereenkomst met appellant opgezegd. Appellant heeft bij het Uwv een aanvraag gedaan om onder toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de betalingsverplichting van de coöperatie jegens hem over te nemen. Bij besluit van 5 januari 2011 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen omdat appellant niet kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij beslissing op bezwaar van 31 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is appellant geen werknemer in de zin van artikel 3 van de WW en kan zijn arbeidsverhouding niet op grond van artikel 4 of 5 van de WW worden gelijkgesteld met een dienstbetrekking.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij onder gezag van de coöperatie dan wel de Algemene Ledenvergadering (ALV) werkzaam is geweest.

3.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat wel degelijk sprake was van een gezagsverhouding. Zijn taak als directeur hield in dat hij uitvoering gaf aan het beleid dat was vastgesteld in de jaarplannen. Hij diende deze jaarplannen af te stemmen en te verantwoorden aan de ALV en aan het bestuur. De ALV was bevoegd tot het laten aftreden van personen binnen de coöperatie. De omstandigheid dat hij op een bepaald moment als enig bestuurder stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel hing samen met het feit dat de andere bestuursleden hun zetel hadden opgegeven en zich hadden laten uitschrijven. Appellant heeft er in die periode alles aan gedaan om te redden wat er te redden viel, maar de leden hebben uiteindelijk besloten om de coöperatie niet te laten voortbestaan.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of appellant kan worden aangemerkt als een persoon die tot de coöperatie in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek gelden als criteria een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven (vgl. onder meer Hoge Raad 13 juli 2007, LJN BA6231, en

25 maart 2011, LJN BP3887).

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat appellant gehouden was zijn werkzaamheden voor de coöperatie zelf te verrichten en daarvoor salaris ontving. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant als directeur-enig bestuurder in een gezagsverhouding stond ten opzichte van de coöperatie.

4.3.

Volgens vaste rechtspaak van de Hoge Raad is bij de beoordeling van de vraag of tussen een natuurlijk persoon en een rechtspersoon een gezagsverhouding bestaat niet van belang welke personen deel uitmaken van het orgaan van de rechtspersoon dat instructies aan die natuurlijke persoon kan geven. Of materieel sprake is van een gezagsverhouding is bij die beoordeling niet relevant. De Hoge Raad heeft deze formele benadering recent bevestigd in (rechtsoverweging 3.3.3 van) zijn arrest van 22 maart 2013 (LJN BY9295).

4.4.

Anders dan de Raad in het verleden heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld

CRvB 18 augustus 1960, RSV 1960, 209, CRvB 4 februari 1974, RSV 1974, 232 en

CRvB 29 februari 1980, RSV 1980, 222) is een bestuurder van een (coöperatieve) vereniging onderworpen aan het gezag van de ALV. Appellant stond als directeur-enig bestuurder in een gezagsverhouding tot de ALV van de coöperatie.

4.5.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat aan de drie criteria voor een arbeidsovereenkomst wordt voldaan zodat appellant in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond ten opzichte van de coöperatie en op grond van artikel 3, eerste lid, van de WW werknemer was in de zin van de WW.

4.6.

Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Voor het doen van een tussenuitspraak ziet de Raad geen ruimte. Een opdracht aan het Uwv op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip werknemer. Daarom bepaalt de Raad dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij zal het Uwv tevens moeten beslissen op het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente over na te betalen uitkering.

5.

De Raad is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 31 maart 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    draagt het Uwv op om binnen vier weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.J. Govaers en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.J. Penning

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

TM