Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:875

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2013
Datum publicatie
08-07-2013
Zaaknummer
12-5982 WWB-V
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. Niet tijdige betaling griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/264
ABkort 2013/264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5982 WWB-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 oktober 2012, 12/112 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 19 maart 2013 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de Raad van 19 maart 2013 heeft appellant verzet gedaan.

Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 27 mei 2013, waar partijen
- zonder voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 19 maart 2013 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 3 januari 2013 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

Vaststaat dat het griffierecht niet is betaald.

In het verzetschrift heeft appellant aangevoerd dat het op de weg van de Raad had gelegen hem in de gelegenheid te stellen een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht in te dienen. Verder heeft appellant betoogd dat het bedrag van het griffierecht voor iemand met een bijstandsuitkering te hoog is, zodat het recht op toegang tot de rechter onaanvaardbaar wordt beperkt. Niet-ontvankelijkverklaring acht appellant ook disproportioneel.

De Raad ziet hierin geen grond voor het oordeel dat appellant redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. Appellant heeft pas in verzet, en dus niet binnen de in de brief van 3 januari 2013 voor de betaling van het griffierecht gestelde termijn, aangegeven dat hij bijzondere bijstand wilde aanvragen. Indien een indiener van een (hoger)beroepschrift binnen de gestelde termijn een beroep op betalingsonmacht doet, stelt de Raad hem volgens zijn vaste rechtspraak in de gelegenheid een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht in te dienen. Van een tijdig beroep op betalingsonmacht is in dit geval echter geen sprake geweest. Evenmin heeft appellant binnen de gestelde termijn om uitstel van betaling verzocht of zich anderszins tot de Raad gewend. Er is geen rechtsregel die de bestuursrechter verplicht een betrokkene ambtshalve in de gelegenheid te stellen een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht in te dienen. Wat appellant voor het overige heeft betoogd treft reeds geen doel omdat hij zich niet binnen de gestelde termijn tot de Raad heeft gewend.

Het verzet moet ongegrond worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van

D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2013.

(getekend) T.G.M. Simons

(getekend) D.W.M. Kaldenhoven

eh