Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:855

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2013
Datum publicatie
08-07-2013
Zaaknummer
12-1120 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank wordt is geoordeeld dat het college op voldoende grondslag de tijdelijke aanstelling van appellant niet heeft verlengd. Appellant had immers zelf te kennen gegeven om reden van zijn geweten niet in staat te zijn de hem opgedragen werkzaamheden te verrichten overeenkomstig de werkwijze van de dienst. Dat aan deze opstelling van appellant binnen redelijke tijd een einde zou kunnen komen is in het geheel niet aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/1120 AW

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 januari 2012, 11/3959 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (België) (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft P.K.T.J. van [B.] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door P.K.T.J. van [B.] en G.E.L.M. de [W.]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M. van der Wal, mr. R.J. Kroezen en drs. P. Suilen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 21 april 2010 is appellant tijdelijk met ingang van 1 mei 2010 voor een proefperiode van een jaar aangesteld in de functie van [naam functie] bij de dienst [naam dienst] van de gemeente Breda.

1.2. Bij brief van 22 februari 2011 heeft appellant zich ziek gemeld. In deze brief schrijft appellant verder het volgende: “Ik kom met mijn geweten in de knoop op de manier waarop er met mij en mijn collega’s en de jongeren waar ik voor werk mee om wordt gegaan. Op dit moment sta ik op ontploffen en daar wordt niemand beter van.” Bij schrijven van 2 maart 2011 aan de directeur van de dienst heeft appellant voorts uiteengezet op welke wijze volgens hem veel effectiever en efficiënter kan worden gewerkt.

1.3. In een gesprek op 17 maart 2011 is appellant medegedeeld dat zijn dienstverband van rechtswege zou worden beëindigd. Als reden is hiervoor opgegeven de bij appellant levende onvrede over de wijze van werken bij de dienst.

1.4. Bij besluit van 24 maart 2011 is dienovereenkomstig besloten. De aanstelling van appellant op proef is dus niet verlengd en hem is ook geen vaste aanstelling gegeven. Bij besluit van 18 juli 2011 (bestreden besluit) is het besluit van 24 maart 2011 na bezwaar gehandhaafd. Daartoe is overwogen dat het appellant naar eigen zeggen niet mogelijk is zonder gewetensproblemen zijn werkzaamheden uit te voeren op de hem opgedragen wijze.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

In de aangevallen uitspraak is de hier door de rechter toe te passen terughoudende toetsingsmaatstaf met juistheid beschreven. Met de rechtbank wordt voorts geoordeeld dat het college op voldoende grondslag de tijdelijke aanstelling van appellant niet heeft verlengd. Appellant had immers zelf te kennen gegeven om reden van zijn geweten niet in staat te zijn de hem opgedragen werkzaamheden te verrichten overeenkomstig de werkwijze van de dienst. Dat aan deze opstelling van appellant binnen redelijke tijd een einde zou kunnen komen is in het geheel niet aannemelijk.

3.2.

Appellant heeft een beroep gedaan op het tweede lid van artikel 15:2 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Bredase Uitwerkingsovereenkomst (CAR/Buwo) waarin is bepaald dat ambtenaren die misstanden aan de orde stellen niet om die reden mogen worden ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente mogen worden benadeeld. Onder vermoeden van een misstand wordt volgens artikel 15:2:0:1 van de CAR/Buwo, voor zover hier van belang, verstaan een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden met betrekking tot de gemeentelijke organisatie waar de ambtenaar werkzaam is over een schending van regelgeving of beleidsregels.

3.3.

Appellant heeft echter pas op 6 april 2011 een brief aan het college gericht waarin hij onder verwijzing naar de Klokkenluidersregeling uitvoerig heeft uiteengezet dat er naar zijn mening binnen de dienst [naam dienst] in strijd met de wet, en in het bijzonder de (toenmalige) Wet investeren in jongeren, wordt gehandeld. Appellant heeft in de eerdere brieven van 22 februari en 2 maart 2011 geheel niet over (vermeende) misstanden gesproken maar slechts te kennen gegeven dat het hem om persoonlijke redenen onmogelijk is om op de van hem verlangde wijze te werken. Onjuist is ook om de eerdere brieven te lezen in samenhang met de brief van 6 april 2011 omdat deze laatste brief van na het ontslag dateert en dus geen rol kan hebben gespeeld bij de beweegreden van het college om appellant niet langer in dienst te houden. Verder volgt uit de door appellant overgelegde verklaringen van (oud)collega’s allerminst dat appellant zich voor het besluit van 24 maart 2011 al als klokkenluider heeft gemanifesteerd.

3.4.

Hierbij wordt nog aangetekend dat (ook) ter zitting door het college nadrukkelijk is betwist dat binnen de dienst [naam dienst] de wet niet werd nageleefd. Niet is gebleken dat dit anders zou liggen.

3.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4.

Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2013.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) S.K. Dekker

HD