Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:845

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
09-07-2013
Zaaknummer
12-270 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onbevoegdheid appellanten bezwaar in te stellen. De bezwaren van appellanten zijn door CIZ terecht niet-ontvankelijk verklaard. Appellanten waren tijdens het mentorschap onbevoegd om rechtshandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. De mentor heeft op en voorafgaand aan de datum van de bestreden besluiten geen machtiging gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/1799
ABkort 2013/260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/270 ABWZ, 12/271 AWBZ, 12/272 AWBZ, 12/273 AWBZ

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van

29 november 2011 (09/940, 09/143 en 09/144) (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[Appellanten] te [woonplaats] (appellanten)

de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2013. Appellanten zijn vertegenwoordigd door mr. F. Elema, een kantoorgenoot van mr. van Dijk. CIZ is vertegenwoordigd door J. Henneveld.

De behandeling ter zitting is geschorst om appellanten in de gelegenheid te stellen een machtiging van de curator aan de gemachtigde te verstrekken tot het voeren van de onderhavige procedures. Mr. van Dijk heeft op 18 maart 2013 een machtiging van de curator L. Renkema overgelegd tot het voeren van de onderhavige procedures.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten.

1.1.

Appellanten hebben ieder voor zich op 7 november 2008 bij CIZ aanvragen ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor zorg bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), bestaande uit persoonlijke verzorging, ondersteunende begeleiding en activerende begeleiding.

1.2.

Met ingang van 18 november 2008 heeft de rechtbank in Groningen ten aanzien van appellanten beslist tot het instellen van bewind en mentorschap. De rechtbank heeft

[naam mentor] tot mentor benoemd (hierna: mentor).

1.3.

Namens appellanten heeft de voormalige gemachtigde bezwaar gemaakt bij CIZ wegens het uitblijven van besluiten op aanvragen. CIZ heeft die bezwaren in twee besluiten van

29 januari 2009 niet-ontvankelijk verklaard omdat niet blijkt dat de mentor zich tot de gemachtigde heeft gewend om de bezwaarprocedure te beginnen. Appellanten hebben tegen die besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. Hangende het beroep bij de rechtbank heeft CIZ de besluiten van 29 januari 2009 ingetrokken en de gemachtigde van appellanten in de gelegenheid gesteld om alsnog een machtiging van de mentor in te sturen.

1.4.

CIZ heeft ten aanzien van appellante [naam appellante 1] op 4 februari 2009 een indicatiebesluit genomen waarin CIZ een indicatie voor ondersteunende begeleiding dagprogramma, klasse 2, voor de periode van 19 december 2008 tot en met 18 december 2009 heeft gesteld. Ten aanzien van appellante [naam appellante 2] heeft CIZ op 4 februari 2009 een indicatiebesluit genomen met een indicatie voor ondersteunende begeleiding dagprogramma, klasse 2, ondersteunende begeleiding algemeen, klasse 1, en persoonlijke verzorging, klasse 1, alle voor de periode van 19 december 2008 tot en met 18 december 2009. Namens appellanten heeft de voormalige gemachtigde tegen die besluiten bezwaar gemaakt. CIZ heeft daarop aan de gemachtigde gevraagd om een machtiging, waarin de mentor hem machtigt om namens appellanten op te

treden.

1.5.

De mentor heeft in een brief van 18 mei 2009 aan de voormalige gemachtigde te kennen gegeven dat zij in haar rol van mentor niet kan beoordelen of appellanten thuis goed worden verzorgd door hun ouders en dat dezen haar geen medewerking verlenen om meer inzicht te krijgen in de toestand van appellanten.

1.6.

De voormalige gemachtigde van appellanten heeft civielrechtelijke vorderingen ingesteld om een vervangende machtiging tot het voeren van de bezwarenprocedure te krijgen. Die vorderingen zijn afgewezen, op 23 juli 2009 door de sector kanton van de rechtbank Groningen en op 4 september 2009 door de voorzieningenrechter van de sector civiel recht van dezelfde rechtbank.

1.7.

CIZ heeft in besluiten van 22 september 2009 (bestreden besluiten) de bezwaren

niet-ontvankelijk verklaard, omdat er nog steeds geen machtiging van de mentor was. Namens appellanten heeft de gemachtigde tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.

In de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellanten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat voor het maken van bezwaar een machtiging van de mentor nodig was en dat de mentor op en voorafgaand aan de datum van de bestreden besluiten geen machtiging heeft gegeven. Daarom heeft CIZ volgens de rechtbank de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3.

Appellanten hebben tegen de uitspraken van de rechtbank aangevoerd dat het bij conflicterende belangen tussen hen enerzijds en de mentor anderzijds mogelijk moet zijn dat appellanten zelfstandig kunnen procederen tegen besluiten, ondanks het bepaalde in artikel 1:453 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verder hebben appellanten gesteld dat de mentor op 17 februari 2010 een machtiging heeft afgegeven waarmee alsnog is voldaan aan het vereiste om namens appellanten te mogen optreden.

4.

CIZ heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5.

De Raad overweegt het volgende.

5.1.

De rechtbank Groningen heeft appellanten inmiddels onder curatele gesteld en

L.P. Renkema tot curator benoemd. De curator van appellanten heeft aan (de gemachtigde van) appellanten een machtiging verleend tot het voeren van de onderhavige procedures. Dat houdt in dat de Raad toekomt aan een beoordeling van de aangevallen uitspraken.

5.2.

In artikel 1:453, eerste lid, van het BW is bepaald dat een betrokkene tijdens een mentorschap onbevoegd is om rechtshandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. In het tweede lid is bepaald dat de mentor de betrokkene met betrekking tot deze rechtshandelingen in en buiten rechte vertegenwoordigt. Ook is het mogelijk dat de mentor aan de betrokkene toestemming verleent om de rechtshandelingen zelf te verrichten. Deze bepaling houdt dus in dat appellanten, of hun gemachtigde namens hen, niet bevoegd waren om bezwaar te maken, tenzij hun mentor hen daartoe toestemming heeft gegeven.

5.3.

CIZ heeft de voormalige gemachtigde van appellanten na de door hen gemaakte bezwaren verzocht om een machtiging van de mentor. De gemachtigde van appellanten heeft vele malen gevraagd om uitstel, deels omdat hij de door hem ingestelde civiele procedures wilde afwachten. CIZ heeft vijf keer uitstel verleend gedurende de periode van 23 februari 2009 tot aan de datum van de bestreden besluiten op 22 september 2009. Op deze laatste datum had de mentor echter nog steeds geen machtiging gegeven.

5.4.

Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraken op juiste gronden overwogen dat CIZ de bezwaren van appellanten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarom worden de aangevallen uitspraken bevestigd.

6.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) P.J.M. Crombach

GdJ