Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:834

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2013
Datum publicatie
05-07-2013
Zaaknummer
12-3874 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft op correcte wijze uitvoering gegeven aan de vaststellingsovereenkomst van 30 juni 2010. Daarin is immers geen sprake van de afspraak dat appellante alle in het desbetreffende tijdvak gemaakte kosten, ook van de verzekering, de benzinekosten en het benodigde onderhoud, vergoed zou krijgen, zoals appellante stelt dat de bedoeling is geweest van de vaststellingsovereenkomst. Voorts heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het college het bezwaar tegen de uitvoering van die vaststellingsovereenkomst, meer in het bijzonder de op grond daarvan verrichte betalingen en schriftelijke specificaties daarvan, niet-ontvankelijk had moeten verklaren op de grond dat deze uitvoeringshandelingen niet kunnen worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/291 met annotatie van A. Tollenaar
RSV 2013/235
ABkort 2013/263
ABkort 2013/263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/3874 WMO

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 31 mei 2012, 08/2269 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Enkhuizen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft haar vader, [naam vader], hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2013. Voor appellante is verschenen [naam vader]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.C. van Kwawegen en H. Mentink.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 17 december 2007 heeft het college geweigerd terug te komen van het besluit van 20 juni 2006, waarbij de aanvraag om een vergoeding voor het gebruik van de kosten van een rolstoelbus is afgewezen. Bij besluit van 21 juli 2008 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 december 2007 ongegrond verklaard.

1.2.

Bij besluit van 18 november 2008 heeft het college aan appellante vanaf 1 januari 2007 tot 1 januari 2009 een persoonsgebonden budget toegekend voor het gebruik van de individuele rolstoeltaxi met een maximum van 1500 kilometer per jaar en € 1,72 per kilometer (€ 2.580,-- per jaar). Tevens is bij dit besluit geweigerd een overeenkomstig pgb toe te kennen voor de periode van 2004 tot en met 2006, op de grond dat deze voorziening in die periode niet bestond.

1.3.

Tijdens de bezwaarprocedure heeft het college bij besluit van 27 februari 2009 het besluit van 18 november 2008 ten dele ingetrokken en het maximum aantal kilometers opgehoogd naar 2000 per jaar en voor het jaar 2009 de kilometervergoeding opgehoogd naar € 1,81. Het college heeft de verzoeken om een tegemoetkoming in bovenregionaal vervoer, voorrijkosten en wachtkosten afgewezen. Bij besluit van 15 juli 2009 (bestreden besluit 2) zijn de bezwaren tegen de besluiten van 18 november 2008 en 27 februari 2009 afgewezen.

1.4.

Appellante heeft tegen bestreden besluiten 1 en 2 beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.5.

Ter zitting van de Raad op 30 juni 2010 is, naar aanleiding van de hoger beroepen van appellante in twee zaken (nummers 08/5340 en 08/5342) betreffende de aan appellante te verstrekken vervoersvoorziening, een schikking bereikt. In deze schikking is overeengekomen, onder meer dat:

- het college, onder verrekening van de reeds in de periode in geding aan appellante verstrekte financiële tegemoetkomingen, de aanschafkosten van de aangeschafte rolstoelbus van € 25.000,-- zou vergoeden aan appellante en aan appellante vanaf

27 december 2004 een forfaitaire vergoeding in het gebruik van de rolstoelbus zou toekennen van € 321,84 per jaar;

  • -

    men uit zou gaan van een levensduur van de rolstoelbus van ten minste tien jaar, te rekenen vanaf 1 december 2004;

  • -

    met de overeenkomst finale kwijting beoogd werd.

1.6.

Op 3 november 2010 heeft het college ter uitvoering van de vaststellingsovereenkomst € 16.439,67 gestort op de rekening van appellante. Bij brief van 3 december 2010 heeft het college de stortingen nader toegelicht. Naar aanleiding van de vaststellingsovereenkomst diende het college € 25.000,-- voor de aanschaf van de rolstoelbus en € 1.939,67 aan jaarlijkse forfaitaire tegemoetkomingen in het gebruik daarvan vanaf 27 december 2004 aan appellante uit te keren. Omdat appellante in 2007, 2008 en 2009 reeds in totaal € 10.500,-- had ontvangen aan tegemoetkomingen in het gebruik van de rolstoelbus in de vorm van persoonsgebonden budgetten, diende het college nog € 16.439,67 aan appellante uit te betalen ter nakoming van de vaststellingsovereenkomst.

1.7.

Bij brieven van 8 en 17 maart 2011 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de door het college gegeven uitvoering aan de vaststellingsovereenkomst van 30 juni 2010. Dit bezwaar is door het college bij besluit van 14 juni 2011 (bestreden besluit 3) niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante na de op 30 juni 2010 getroffen schikking geen procesbelang meer heeft. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, met het oog op de vaststellingsovereenkomst van 30 juni 2010, de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat door de vaststellingsovereenkomst de geschillen betreffende de vervoerskosten in de jaren 2006 tot en met 2009, waar die besluiten betrekking op hadden, beëindigd waren. Immers, met de door partijen getekende vaststellingsovereenkomst is de aan appellante toe te kennen vervoersvoorziening vanaf 1 december 2004 tot 1 december 2014 geregeld en is er voor appellante geen procesbelang meer bij een rechterlijk oordeel over de bestreden besluiten

1

en 2.

2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, met het oog op de vaststellingsovereenkomst van 30 juni 2010, de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat door de vaststellingsovereenkomst de geschillen betreffende de vervoerskosten in de jaren 2006 tot en met 2009, waar die besluiten betrekking op hadden, beëindigd waren. Immers, met de door partijen getekende vaststellingsovereenkomst is de aan appellante toe te kennen vervoersvoorziening vanaf 1 december 2004 tot 1 december 2014 geregeld en is er voor appellante geen procesbelang meer bij een rechterlijk oordeel over de besluiten 1 en 2.

2.1.

Met betrekking tot bestreden besluit 3 heeft de rechtbank overwogen dat het college het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk had moeten verklaren, omdat de op grond van de vaststellingsovereenkomst gedane betalingen en schriftelijke specificaties daarvan, geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft bestreden besluit 3 om die reden vernietigd maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.

3.

In hoger beroep heeft appellante onder meer aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst van 30 juni 2010 door het college onjuist is uitgevoerd. Het college heeft ten onrechte de (al verstrekte) tegemoetkomingen in de vervoerskosten afgetrokken van de aankoopkosten van de rolstoelbus. Appellante stelt dat is overeengekomen dat het college de aangevraagde rolstoelbus zou toekennen en tevens de kosten van het hebben, het onderhoud en het rijden zou vergoeden. Dat heeft destijds de gemachtigde van appellante, die betrokken was bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst, in een e-mail aan de vader van appellante te kennen gegeven.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Bij de vaststellingsovereenkomst van 30 juni 2010 is tussen partijen een regeling getroffen die ziet op een periode van tien jaar, namelijk vanaf december 2004 tot december 2014. Voor die periode is afgesproken dat de kosten van de aanschaf van de rolstoelbus in 2004 van € 25.000,-- aan appellante vergoed zou worden en jaarlijks, en met terugwerkende kracht tot 1 december 2004, een vergoeding voor het gebruik daarvan van € 321,84, zou worden toegekend. Reeds toegekende tegemoetkomingen in de aan de vaststellingsovereenkomst voorafgaande jaren tot 2004, zouden worden verrekend met het op grond van die overeenkomst na te betalen bedrag van (€ 25.000,-- + € 1.939,67 =) € 26.939,67. Omdat in 2007 en 2008 € 2.580,-- en in 2009 € 3.620,-- was toegekend en er op grond van bestreden besluit 2 een nabetaling van € 1.720,-- had plaatsgevonden, heeft het college een bedrag van € 10.500,-- verrekend met het na te betalen bedrag van € 26.939,67.

4.2.

Het college heeft op correcte wijze uitvoering gegeven aan de vaststellingsovereenkomst van 30 juni 2010. Daarin is immers geen sprake van de afspraak dat appellante alle in het desbetreffende tijdvak gemaakte kosten, ook van de verzekering, de benzinekosten en het benodigde onderhoud, vergoed zou krijgen, zoals appellante stelt dat de bedoeling is geweest van de vaststellingsovereenkomst.

4.3.

De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellante bij de beoordeling van de bestreden besluiten 1 en 2 geen belang meer heeft, nu deze besluiten zien op een periode waarover tussen partijen bindende afspraken zijn gemaakt in de vaststellingovereenkomst. Voorts heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het college het bezwaar tegen de uitvoering van die vaststellingsovereenkomst, meer in het bijzonder de op grond daarvan verrichte betalingen en schriftelijke specificaties daarvan, niet-ontvankelijk had moeten verklaren op de grond dat deze uitvoeringshandelingen niet kunnen worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

4.4.

Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en W.H. Bel en R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2013.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) M.R. Schuurman

JvC