Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:820

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
11-4893 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft werkneemster terecht een WW-uitkering toegekend. In de beëindigingsovereenkomst tussen werkgeefster en werkneemster is onder andere vastgelegd dat in verband met een zogenoemde overformatie bij werkgeefster een sociaal plan geldt en dat werkgeefster na het eindigen van de arbeidsovereenkomst aan werkneemster een uit dat sociaal plan voortvloeiende vergoeding zal betalen. In het geval van werkneemster niet kan worden gezegd dat sprake is geweest van een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werknemer in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/266
USZ 2013/258
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/4893 WW

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ʼs-Gravenhage van

13 juli 2011, 10/7161 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

Stichting Hoger Beroepsonderwijs Haaglanden te ’s-Gravenhage (werkgeefster)

[B. te C.] (werkneemster)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens werkgeefster heeft mr. dr. J.H. van Gelderen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Werkneemster heeft haar zienswijze gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel. Voor werkgeefster is mr. Van Gelderen verschenen. Werkneemster is met bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Werkneemster is op 11 april 2000 in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) werkgeefster. Werkneemster en werkgeefster zijn in februari 2010 een beëindiging van hun arbeidsrelatie overeengekomen. Werkneemster was toen werkzaam als administratief medewerker bij de Academie voor Technology, Innovation & Society Delft, onderdeel van werkgeefster (Academie). In een door werkgeefster op 12 februari 2010 ondertekende beëindigingsovereenkomst, die door werkneemster op 17 februari 2010 is ondertekend, is vastgelegd dat werkneemster op eigen verzoek ontslag neemt per 1 mei 2010. In de overeenkomst is verder vastgelegd dat in verband met een zogenoemde overformatie bij werkgeefster een sociaal plan geldt en dat werkgeefster na het eindigen van de arbeidsovereenkomst aan werkneemster een uit dat sociaal plan voortvloeiende vergoeding zal betalen van € 26.024,31.

1.2. Werkneemster heeft een uitkering aangevraagd op grond van de Werkloosheidswet (WW) in verband met het einde van haar dienstverband per 1 mei 2010. Bij besluit van 12 mei 2010 heeft appellant werkneemster met ingang van 3 mei 2010 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering.

1.3. Werkgeefster heeft tegen het besluit van 12 mei 2010 bezwaar gemaakt. Volgens werkgeefster is werkneemster verwijtbaar werkloos geworden, omdat zij zelf ontslag heeft genomen. Werkgeefster heeft daarbij aan appellant voorgehouden dat zij in gesprekken met werkneemster meermalen heeft aangeboden werkneemster te ondersteunen in haar zoektocht naar een andere baan, maar dat werkneemster liever een financiële bijdrage wilde ontvangen om zelf de regie te voeren over haar loopbaanondersteuning en dat werkneemster een premie heeft ontvangen om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien zolang zij nog geen andere baan heeft gevonden.

1.4. Bij besluit van 8 september 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van werkgeefster ongegrond verklaard en zijn besluit van 12 mei 2010 gehandhaafd. Appellant heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het vrijwillig gebruik maken van een vertrekregeling, zoals in het geval van werkneemster, niet is aan te merken als een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werknemer en daarbij verwezen naar zijn beleid dat vastligt in de Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006, Stcrt. 2006, nr. 190 (Beleidsregels).

2.

Werkgeefster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van werkgeefster tegen het besluit van 12 mei 2010. De rechtbank heeft geoordeeld dat het dienstverband is geëindigd op verzoek van werkneemster in een situatie waarin aan de voortzetting daarvan niet zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting niet van haar kon worden gevergd. Volgens de rechtbank is werkneemster verwijtbaar werkloos geworden en heeft appellant haar ten onrechte een WW-uitkering verstrekt.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep onder verwijzing naar artikel 24, zesde lid, van de WW op het standpunt gesteld dat uit de toepassing van een sociaal plan bij een beëindiging van een dienstverband volgt dat het initiatief tot die beëindiging bij de werkgever ligt en nader onderzoek van appellant naar verwijtbaarheid van de werkloosheid van de werknemer dan achterwege kan blijven. Een onderzoek van appellant bij toepassing van een sociaal plan zou leiden tot een door de wetgever bij de wijziging van de WW in 2006 niet gewenste onzekerheid. In de Beleidsregels heeft hij expliciet bepaald dat het vrijwillig gebruik maken van een vertrekregeling niet is te beschouwen als een eindiging van een dienstbetrekking op initiatief van de werknemer. In het geval van werkneemster heeft werkgeefster haar vertrek gestimuleerd. Mede omdat aan haar een substantiële beëindigingsvergoeding is betaald, mocht werkneemster volgens appellant erop vertrouwen dat de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst niet zou worden getoetst aan artikel 24, tweede lid, van de WW.

3.2.

Werkgeefster heeft als haar opvatting gegeven dat appellant bij elke WW-aanvraag tot een onderzoek is gehouden. Een ontslagname door een werknemer kan samengaan met de toepassing van een sociaal plan, maar daarmee is niet gezegd dat een werknemer zijn dienstbetrekking niet had kunnen behouden. De Beleidsregels zijn ten aanzien van een werkgever niet aan te merken als buitenwettelijk begunstigend beleid. Zij zijn bovendien in het geval van werkneemster niet van toepassing, omdat aan de beëindiging van het dienstverband geen bedrijfseconomische reden ten grondslag ligt, maar uitsluitend de uitdrukkelijke wens van werkneemster om haar dienstverband te beëindigen.

3.3.

Werkneemster heeft naar voren gebracht dat zij werkgeefster heeft gevraagd of zij gebruik zou kunnen maken van de vertrekregeling in een situatie waarin zij “wederom tegen de muur werd gezet”, omdat haar werkplek was ingenomen door een uitzendkracht en haar functioneren in passend werk niet goed werd bevonden. Volgens werkneemster is uit het feit dat werkgeefster direct met haar verzoek instemde, af te leiden dat haar vertrek door werkgeefster werd gewenst.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW rust op de werknemer de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen. De werknemer is op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW verwijtbaar werkloos geworden als zijn dienstbetrekking is beëindigd door of op zijn verzoek zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

4.1.2. In artikel 24, zesde lid, van de WW is onder meer bepaald dat het instemmen van de werknemer met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever niet leidt tot overtreding van de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW.

4.1.3. Uit de wetsgeschiedenis van het met ingang van 1 oktober 2006 gewijzigde artikel 24, tweede lid, van de WW blijkt dat de wetgever met de bepalingen onder a en b van dat artikel een onderscheid heeft willen maken tussen werkloosheid die het gevolg is van een ontslag op initiatief van de werkgever, de a-grond, en werkloosheid die het gevolg is van een ontslag door of op verzoek van de werknemer, de b-grond. Daarbij is aangetekend dat zowel voor de a-grond als de b-grond geldt dat niet de wijze waarop de dienstbetrekking eindigt, bepalend is voor de beoordeling van de verwijtbaarheid van de werkloosheid, maar de reden voor die beëindiging (Kamerstukken II, 2005/06, 30370, nr. 3, blz. 49).

4.2.1. In de rechtspraak van de Raad is tot uitdrukking gebracht dat, behoudens in het geval de arbeidsovereenkomst is geëindigd op grond van een door de werknemer bij de kantonrechter ingediend ontbindingsverzoek, de vraag of sprake is van een beëindiging van een dienstbetrekking door of op verzoek van de werknemer een materiële beoordeling vereist (CRvB 8 januari 2010 (LJN BK8936) en 8 juni 2011 (LJN BQ8715)). Een ontslagverzoek moet in de context worden bezien, bijvoorbeeld omdat een dergelijk verzoek door de werknemer kan zijn gedaan om direct bij te dragen aan een om bedrijfseconomische redenen door de werkgever gewenste inkrimping van personeel.

4.2.2. Een bedrijfseconomische noodzaak om de omvang van het personeel te reduceren is een omstandigheid die geheel ligt in de sfeer van de werkgever. Indien de werkgever de gewenste afname van het aantal arbeidsplaatsen heeft bepaald, zal van gedwongen ontslagen kunnen worden afgezien als de terugdringing van de vastgestelde boventalligheid kan worden bereikt door vrijwillig vertrek van werknemers. Het staat een werkgever vrij om faciliteiten aan te bieden die vrijwillig vertrek stimuleren, maar daaraan tevens voorwaarden te verbinden met het oog op de kosten van die faciliteiten. Indien een werknemer van een door de werkgever aangeboden regeling van vrijwillig vertrek gebruik maakt, impliceert zijn ontslagverzoek in het algemeen dat zijn vertrek bij de werkgever is toe te schrijven aan een bedrijfseconomische grond.

4.3.1. In de Beleidsregels heeft appellant de uitgangspunten uiteengezet die hij hanteert bij toepassing van de artikelen 24 en 27 van de WW. In paragraaf 2 is onder meer vastgelegd dat appellant bij beëindiging van een dienstbetrekking als gevolg van een bedrijfseconomische reden in alle gevallen ervan uit zal gaan dat dit op initiatief van de werkgever gebeurt. Het vrijwillig door een werknemer gebruik maken van een om bedrijfseconomische redenen tot stand gebrachte vertrekregeling (bijvoorbeeld via een sociaal plan) wordt door appellant niet beschouwd als een einde van de dienstbetrekking op initiatief van de werknemer. Dit uitgangspunt is in overeenstemming met de in 4.1.3 aangehaalde bedoeling van de wetgever om de reden voor de beëindiging van de dienstbetrekking bepalend te doen zijn. Op dit punt is paragraaf 2 van de Beleidsregels niet als buitenwettelijk beleid aan te merken.

4.3.2. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het enkele gegeven dat een werkgever aan zijn werknemer een op grond van een sociaal plan berekende, als substantieel aan te merken, vergoeding heeft betaald, al voldoende is om zonder verder onderzoek aan te nemen dat de werknemer niet verwijtbaar werkloos is geworden. Indien blijkt dat van een door een werkgever en zijn werknemer gesloten beëindigingsovereenkomst deel uitmaakt dat de werknemer om ontslag verzoekt onder toekenning van een op een sociaal plan gebaseerde vergoeding, rust op appellant steeds de verplichting om na te gaan of de betrokken werknemer onder de werkingssfeer van dat plan valt, en zo ja, of dat plan voorziet in een regeling van vrijwillig vertrek van werknemers wegens een noodzakelijk gebleken inkrimping van personeel en of aan die werknemer daadwerkelijk de daarin opgenomen faciliteiten zijn verstrekt.

4.4.

In het geval van werkneemster heeft werkgeefster betwist dat aan de beëindiging van het dienstverband een bedrijfseconomische reden ten grondslag heeft gelegen en ook dat paragraaf 2 van de in 4.3.1 vermelde Beleidsregels van toepassing is. Voor de beoordeling van deze stellingen is het volgende van belang.

4.5.

Op 4 juni 2008 is het College van Bestuur (CvB) van de Haagse Hogeschool (HHS), met de vakorganisaties het Sociaal Plan De Haagse Hogeschool TH Rijswijk/Academie voor Engineering overeengekomen in verband met een volgens werkgeefster noodzakelijke inkrimping van het personeelsbestand als gevolg van een terugloop van het aantal studenten bij de opleiding Elektrotechniek van de na een fusie ontstane academie THR (THR). Op grond van artikel 3.1 is het Sociaal Plan van toepassing op alle personeelsleden die op basis van hun arbeidsovereenkomst werkzaam zijn bij de THR. Artikel 5.5 van het Sociaal Plan bevat een regeling voor ontslag op eigen verzoek. Het artikel luidt:

“Verzoeken tot vrijwillig deeltijdontslag worden in beginsel gehonoreerd indien het ontslag rechtstreeks bijdraagt aan de vermindering van de overformatie. Tegenover de bereidheid van personeelsleden om mee te werken aan de vermindering van de overformatie bij de THR, stelt de HHS een financiële compensatie. Deze compensatie houdt in de toepassing van de volgende regeling.

Medewerkers die ontslag op eigen verzoek indienen en wier vertrek bijdraagt aan de vermindering van de overformatie komen in aanmerking voor een vertrekpremie naar rato van de fte-omvang waarmee hun vertrek bijdraagt aan de vermindering. De premie is gebaseerd op 2 maandsalarissen per jaar dat zij aaneengesloten in dienst zijn, met een maximum van 12 maandsalarissen. De premie wordt berekend naar rato van de vastgestelde bijdrage aan de reductie in fte-omvang. Vaststelling van de omvang geschiedt door het bevoegd gezag (CvB) op voordracht van de academiedirecteur.

Toekenning van deze premie vindt plaats indien de medewerker bij vrijwillige structurele vermindering van de betrekkingsomvang geen aanspraak maakt op een uitkering krachtens het BWHBO.”

Onder “2. Probleemstelling en aanpak” van het Sociaal Plan is de zinsnede opgenomen:

“Voor elke medewerker geldt de voorwaarde dat gebruik van een faciliteit of maatregel uitsluitend kan geschieden indien dit direct bijdraagt aan de terugdringing van de overformatie bij de opleiding Elektrotechniek, zulks ter beoordeling van de academiedirecteur.”

4.6.

Niet in geschil is dat op werkneemster op grond van haar werkzaamheden bij de Academie het Sociaal Plan van toepassing was. Evenmin is in geschil dat kritiek van werkgeefster op het functioneren van werkneemster en door werkgeefster in verband daarmee getroffen maatregelen, werkneemster ertoe hebben aangezet om aan werkgeefster de vraag voor te leggen of zij gebruik kon maken van de vertrekregeling van artikel 5.5 van het Sociaal Plan. Op deze vraag is door werkgeefster bevestigend geantwoord. De academiedirecteur heeft op 23 juli 2009 een Aanvraag bekostiging vanuit Sociaal Beleid ingediend bij het CvB, die zich daarmee op diezelfde dag akkoord heeft verklaard. Bij de aanvraag heeft de academiedirecteur onder meer vermeld:

“(…) Graag wil ze gebruik maken van artikel (…) 5.5. “Ontslag op eigen verzoek” voor zijn volledige aanstelling van 0,8 fte.

Het vertrek van [werkneemster] draagt bij aan het verminderen van de overformatie bij de academie. (…)”

Hieruit volgt dat werkneemster voldeed aan de voorwaarden om gebruik te maken van de met het Sociaal Plan geboden faciliteit van vrijwillig vertrek. Niet is gebleken dat volgens partijen betekenend belang toekomt aan het feit dat werkgeefster en werkneemster de regeling van artikel 5.5 van het Sociaal Plan van toepassing hebben geacht op de volledige omvang van het dienstverband. Werkgeefster en werkneemster hebben uitvoering gegeven aan de vertrekregeling door bij de beëindigingsovereenkomst vast te leggen dat werkneemster recht heeft gekregen op een vergoeding. Haar aanspraak op een bovenwettelijke uitkering bij het eindigen van de arbeidsovereenkomst heeft zij daarbij prijsgegeven.

4.7.1.

Na het akkoord van het CvB is werkneemster vanaf 3 augustus 2009 volledig arbeidsongeschikt geweest. Vanaf 12 november 2009 is de omvang van haar ziekteverlof geleidelijk teruggebracht. Werkgeefster en werkneemster hebben opnieuw over vertrek van werkneemster overlegd. In een brief aan de toenmalige gemachtigde van werkneemster van 12 december 2009 heeft werkgeefster nader toegelicht waarom zij het verzoek van werkneemster om in aanmerking te komen voor de regeling van artikel 5.5 van het Sociaal Plan heeft gehonoreerd:

“(…) Uitgangspunt bij deze regeling is dat het vertrek van de medewerker moet bijdragen aan een personele reductie. Wij zullen [werkneemster], als zij van de regeling gebruik maakt, dus niet vervangen. Dat betekent dat haar huidige taken door anderen verricht zullen moeten worden. Dat is uiteraard een extra belasting voor haar collega’s, maar dit soort zaken is onvermijdelijk in het proces dat wij momenteel doorlopen en waarmee wij proberen om een formele reorganisatie met gedwongen ontslagen te voorkomen.”

4.7.2.

Op 8 februari 2010 heeft de academiedirecteur opnieuw een Aanvraag bekostiging vanuit Sociaal Beleid aan het CvB voorgelegd. Bij deze aanvraag is verwezen naar het akkoord van het CvB van 23 juli 2009 en opgemerkt dat werkneemster door omstandigheden pas per 1 mei 2010 uit dienst zal treden, waardoor de premie opnieuw moet worden berekend op basis van het inmiddels hogere salaris. Ook op deze aanvraag heeft het CvB akkoord gegeven, waarna onder verwijzing naar de overformatie binnen de academie door werkgeefster de beëindigingsovereenkomst is opgesteld en door werkgeefster en werkneemster is ondertekend.

4.8.

In de context van de door werkgeefster benoemde overformatie, die tot gedwongen ontslagen noopt in het geval in de in het Sociaal Plan aangeduide “vrijwillige fase” geen voldoende vermindering van het personeelsbestand wordt bereikt, komt het verzoek van werkneemster in wezen erop neer dat werkgeefster haar voornemen ten uitvoer kan brengen om de arbeidsovereenkomst met een boventallige medewerker te doen eindigen. Het enkele feit dat de boventallige medewerkers nog niet concreet zijn benoemd en dat werkneemster zich wellicht op goede gronden had kunnen verweren als werkgeefster haar als boventallige medewerker had aangewezen, doet daaraan niet af. Aan het gebruik van de woorden “De werknemer neemt op eigen verzoek ontslag” in de beëindigingsovereenkomst komt geen doorslaggevende betekenis toe. De stellingen van werkgeefster, dat aan de beëindiging van het dienstverband van werkneemster geen bedrijfseconomische reden ten grondslag heeft gelegen en dat paragraaf 2 van de Beleidsregels niet van toepassing is, worden dan ook verworpen.

4.9.

De conclusie is dat in het geval van werkneemster niet kan worden gezegd dat sprake is geweest van een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werknemer in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. De rechtbank is ten onrechte tot een andersluidend oordeel gekomen. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Appellant heeft werkneemster terecht in aanmerking heeft gebracht voor een WW-uitkering en op goede gronden het bezwaar van werkgeefster tegen het besluit van 12 mei 2010 ongegrond verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van werkgeefster tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en

M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) H.J. Dekker

JvC