Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:805

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
12-4878 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoeken met betrekking tot de ontvangst van nota’s van het CAK en Surplus en de rechtstreekse uitbetaling aan het CAK en Surplus. Geen gegronde redenen om aan te nemen dat appellant zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen. Hij voldoet daarmee niet aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 57 van de WWB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/4878 WWB, 12/4879 WWB

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 juli 2012, 11/3971, 11/3972 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Etten-Leur (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Breewel-Witteveen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nog een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2013. De zaken zijn gevoegd behandeld met de zaak 12/4880 WWB. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. Breewel-Witteveen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.H.M. Verdaas. In de zaak 12/4880 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 1 december 2010 heeft appellant afzonderlijke aanvragen ingediend voor bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage aan het Centraal Administratiekantoor (CAK) voor thuiszorg en individuele ondersteunende begeleiding over het jaar 2011 en voor de kosten van de alarmeringsaansluiting bij Surplus over het jaar 2011. Appellant heeft het college tevens verzocht te bepalen dat het college de nota’s van het CAK en Surplus in ontvangst neemt en deze rechtstreeks aan het CAK en Surplus betaalt.

1.2.

Bij afzonderlijke besluiten van 17 december 2010 heeft het college de bijzondere bijstand toegekend. De door appellant gedane verzoeken met betrekking tot de ontvangst van de nota’s en de rechtstreekse uitbetaling aan het CAK en Surplus heeft het college aangemerkt als verzoeken om toepassing te geven aan artikel 57 van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft deze verzoeken afgewezen. De besluiten zijn gebaseerd op de overweging dat op basis van de verstrekte gegevens geen gegronde redenen zijn om aan te nemen dat appellant zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen.

1.3.

Bij eveneens afzonderlijke besluiten (bestreden besluiten) van 21 juni 2011 heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 17 december 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank is met het college van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57 van de WWB.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Het geschil terzake van de rechtstreekse uitbetaling aan het CAK en Surplus beperkt zich niet tot het jaar 2011, maar doet zich ieder jaar opnieuw voor. Tussen appellant en het college speelt een jarenlange proceduregeschiedenis. In voorgaande jaren is het college wel overgegaan tot rechtstreekse betaling aan het CAK, dan wel Surplus. Met een beroep op het rechtszekerheid- en gelijkheidsbeginsel stelt appellant dat het college dient door te gaan met de rechtstreekse ontvangst van de nota’s en uitbetaling daarvan. Voorts is hij, anders dan het college en de rechtbank, van mening dat hij met alle stukken die hij in de loop der jaren heeft overgelegd voldoende heeft aangetoond dat hij wel aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57 van de WWB voldoet. Appellant heeft lichamelijke en psychosociale problemen die al jaren bij het college bekend zijn. Hij heeft een medische indicatie voor aanvullende zorg om zijn dagelijkse leven en verplichtingen in banen te leiden. In het enkele feit dat appellant in staat is zelf boodschappen te doen, pinbetalingen te doen, vervoer te regelen dan wel brieven te schrijven, kan geen grond zijn gelegen om niet tot rechtstreekse betaling van de alarmeringskosten en de eigen bijdrage CAK over te gaan.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1.

Vaststaat dat het college in 2010 aan appellant bijzondere bijstand heeft toegekend voor de kosten van alarmering en de eigen bijdrage thuiszorg en begeleiding over 2011. In hoger beroep liggen uitsluitend voor de verzoeken van appellant om rechtstreekse ontvangst van de facturen voor de kosten van alarmering en de eigen bijdrage voor thuiszorg en begeleiding in 2011 en de rechtstreekse betaling van die nota’s aan het CAK en Surplus.

4.2.

Ingevolge artikel 57 van de WWB kan het college indien en zolang er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen:

  1. . aan de bijstand de verplichting verbinden dat de belanghebbende eraan meewerkt dat het college in naam van de belanghebbende noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand verricht;

  2. . de bijstand in natura verstrekken.

4.3.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2002/03, 28870, nr. 3, blz. 77) is de mogelijkheid tot toepassing van artikel 57 WWB niet beperkt tot situaties waarin de belanghebbende zich in problematische schuldensituaties bevindt, of dreigt te geraken. Ook situaties waarin de belanghebbende beschermd moet worden tegen het afglijden in de maatschappij en tekortschiet in zijn zelfredzaamheid - zoals dakloosheid, psychosociale problemen, verslaving en schulden - kunnen aanleiding zijn om toepassing te geven aan artikel 57 van de WWB.

4.4.

Zoals de Raad in zijn uitspraak van 11 december 2012, LJN BY5811, in gedingen tussen appellant en het college over verzoeken om rechtstreekse ontvangst van de facturen voor de kosten van alarmering en de eigen bijdrage voor thuiszorg en begeleiding in 2010, heeft geoordeeld, hebben het college en de rechtbank de verzoeken van appellant terecht aangemerkt als verzoeken om toepassing van artikel 57 van de WWB. De inhoud van die verzoeken moet aldus worden verstaan dat appellant verzoekt de verplichting van artikel 57, aanhef en onder a, van de WWB op hem van toepassing te doen zijn. Gelet op de uit de totstandkomingsgeschiedenis van dat artikel blijkende aard en doel van die bepaling kan de verplichting van artikel 57 van de WWB, naast het meewerken aan rechtstreekse betaling uit de bijstand, tevens inhouden het meewerken aan het rechtstreeks toezenden van de daartoe benodigde facturen aan het college. Artikel 57, aanhef en onder a, van de WWB kan aldus grondslag bieden voor een samengestelde verplichting die inhoudt dat betrokkene meewerkt aan rechtstreekse betalingen uit de bijstand, waarbij de facturen voor die betalingen rechtstreeks aan het college worden gezonden.

4.5.

Uit 4.2. tot en met 4.4. volgt dat de verzoeken van appellant gehonoreerd kunnen worden indien komt vast te staan dat hij aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 57 van de WWB voldoet.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant psychische klachten ondervindt. Dat appellant door deze psychische klachten zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen heeft hij in dit geding echter niet onderbouwd. De ingebrachte verklaringen van de GZ psycholoog H. Schuurmans van 1 december 2010 zien, zoals de Raad in zijn uitspraak van 11 december 2012 al heeft geoordeeld, uitsluitend op de beperkingen van appellant in zijn mobiliteitsmogelijkheden. Appellants mogelijkheden om zelf zijn financiële administratie te doen blijven onbesproken. Dat geldt ook voor de ingebrachte rapportage van de sociaal geneeskundige G.R.M. van Hoof van Argonaut Advies van 8 juli 2005 en de ter zitting geciteerde brief van 4 december 2007, die op de beperkingen bij de sociale redzaamheid van appellant ziet. Andere medische stukken ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant niet overgelegd. Daarom bestaan geen gegronde redenen om aan te nemen dat hij zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen. Hij voldoet daarmee niet aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 57 van de WWB.

4.7.

Het college heeft toegelicht, dat de reden dat het college in het verleden wel is overgegaan tot rechtstreekse ontvangst van de nota’s en betaling daarvan, berust op een verkeerde toepassing van artikel 57 van de WWB. Op grond van voortschrijdend inzicht houdt het college inmiddels voor alle kosten vast aan de vereisten van artikel 57 van de WWB. De Raad heeft in zijn uitspraak van 11 december 2012, LJN BY5811, vastgesteld dat appellant hiervan geen nadeel heeft ondervonden en dat van het college niet kan niet worden verwacht dat hij deze gemaakte fout herhaalt. Gelet hierop slaagt het beroep op het rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel niet.

4.8.

Uit hetgeen is overwogen in 4.6 tot en met 4.7 volgt dat het college de onder 1.2 genoemde verzoeken terecht heeft afgewezen en dat de rechtbank op juiste gronden de bestreden besluiten in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt dan ook niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) M. Sahin

JvC