Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:770

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
12-6292 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:5882, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stopzetting verlofopbouw wegens ziekte. Vaststelling bezoldiging op 90% wegens ziekteduur van meer dan 26 weken. Afwijzing verzoek om de opgelopen infectie aan te merken als beroepsziekte. Appellante is er niet in geslaagd de beroepsziekte aannemelijk te maken, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat er een causaal verband is tussen de opgelopen infectie en de beroepswerkzaamheden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/266
TAR 2014/11
ABkort 2013/266
JB 2013/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/6292 AW

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2012, 10/2395 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante]te [woonplaats](appellante)

de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam Rijnmond, thans de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Dane, advocaat. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. van Veeren en P. Hendriks.

OVERWEGINGEN

1.

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam Rijnmond, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

2.

Voor een meer uitgebreid overzicht van de van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.

2.1.

Vanaf 17 november 2007 is appellante volledig arbeidsongeschikt wegens ziekte. Zij zou een infectie hebben opgelopen met de parasiet entamoeba histolytica. Zij stelt dat dit gebeurd zou zijn in haar functie als [naam functie A.] waarbij zij contact heeft gehad met verdachten afkomstig uit in de tropen gelegen risicolanden met betrekking tot deze parasiet. Zelf is zij ten tijde in geding niet in de tropen geweest en evenmin heeft zij privé contact gehad met personen met een verhoogd risico, zodat zij de infectie wel moet hebben opgelopen tijdens haar werkzaamheden, aldus appellante.

2.2.

Bij besluit van 14 mei 2008 (besluit 1) heeft de korpschef de verlofopbouw wegens ziekte stopgezet. Bij besluit van 2 juli 2008 (besluit 2) is de bezoldiging van appellante vastgesteld op 90% wegens ziekteduur van meer dan 26 weken. Bij besluit van 3 september 2009

(besluit 3) heeft de korpschef het verzoek van appellante om de opgelopen infectie aan te merken als beroepsziekte afgewezen.

3.

De tegen de besluiten 1, 2 en 3 gemaakte bezwaren heeft de korpschef bij besluit van 6 mei 2010 (bestreden beluit) ongegrond verklaard. Daartoe is - kort gezegd - overwogen dat het onvoldoende waarschijnlijk is dat appellante de infectie heeft opgelopen tijdens haar beroepswerkzaamheden.

4.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de door haar benoemde deskundige dr. P.J.J. van Genderen (Van Genderen), internist bij het Havenziekenhuis, heeft geconcludeerd dat ten tijde in geding geen sprake is geweest van infectie met entamoeba histolytica, maar van besmetting met entamoeba dispar, een parasiet die niet specifiek aan de tropen is verbonden. Volgens Van Genderen zou een besmetting in Nederland met entamoeba dispar op kunnen treden, maar is een specifiek causaal verband tussen de opgelopen infectie en de beroepswerkzaamheden vooralsnog onwaarschijnlijk. Op grond van artikel 8:69, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank de feiten aangevuld door dit deskundigenrapport en de daarin opgenomen conclusies bij haar beoordeling te betrekken. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat appellante er niet in is geslaagd de beroepsziekte aannemelijk te maken, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat er een causaal verband is tussen de opgelopen infectie en de beroepswerkzaamheden.

5.1.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de rechtbank zich met de aangevallen uitspraak buiten de omvang van het geding heeft begeven, nu niet in geschil was dat appellante besmet was met de entamoeba histolytica. Bovendien komt aan het oordeel van de deskundige weinig waarde toe, nu deze onvoldoende heeft onderzocht of appellante daadwerkelijk besmet is geweest met de entamoeba histolytica; met name heeft de deskundige verzuimd nadere informatie op te vragen over de behandeling die appellante in februari en maart 2008 heeft ondergaan en die naar haar zeggen gericht was op bestrijding van de entamoeba histolytica.

5.2.

De korpschef heeft gemotiveerd verweer gevoerd en bevestiging van de aangevallen uitspraak gevraagd.

6.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Met de korpschef wordt geoordeeld dat de rechtbank niet over de buitengrens van de omvang van het geding, zoals omschreven in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, is getreden. Het vraagstuk van het causaal verband tussen de ziekte van appellante en haar beroepswerkzaamheden, dat de kern vormt van het geschil tussen partijen, kon immers niet beantwoord worden zonder de wetenschap, welke parasiet de infectie veroorzaakt heeft. Toen uit het door de rechtbank opgedragen deskundigenonderzoek - geheel onverwacht voor partijen en de rechtbank - de conclusie naar voren kwam dat de entamoeba histolytica waarschijnlijk niet de oorzaak van de infectie was, heeft de rechtbank die uitkomst terecht in haar oordeelsvorming betrokken. Artkel 8:69, derde lid van de Awb, waarin is bepaald dat de rechter ambtshalve de feiten kan aanvullen, geeft de rechter ook de bevoegdheid om bij de vaststelling van de feiten af te wijken van de feiten zoals deze door partijen zijn gepresenteerd. In dit geval was daarvoor temeer reden, nu er geen sprake was van een afspraak tussen partijen om van een bepaalde feitenconstellatie uit te gaan, maar slechts van een bij beide partijen levende - en vervolgens kennelijk onjuist gebleken - veronderstelling. De Raad acht hierbij van belang dat de rechtbank ruim de gelegenheid aan partijen heeft gegeven om over en weer te reageren op het nieuwe inzicht van de deskundige; een gelegenheid die partijen ook hebben benut.

6.2.

Over de vraag of de rechtbank mocht afgaan op de conclusies van Van Genderen en of zij terecht heeft geconcludeerd dat, nu op grond van die conclusies het aanvankelijk veronderstelde causaal verband onvoldoende vaststaat, de gestelde beroepsziekte niet aannemelijk is gemaakt, wordt als volgt geoordeeld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat het op de weg van appellante ligt om bewijs te leveren voor haar stelling dat zij de infectie met entamoeba histolytica heeft opgelopen tijdens haar beroepswerkzaamheden. Deze bewijslastverdeling wordt niet anders, nu de rechtbank in dit geval aan appellante tegemoet is gekomen door zelf een deskundige te benoemen vanwege het ontbreken van een voldoende onderbouwd deskundigenadvies van de zijde van appellante. Nu deze deskundige in een consistent en inzichtelijk rapport heeft geconcludeerd dat zeer waarschijnlijk geen sprake is geweest van besmetting met de veronderstelde entamoeba histolytica, lag het dan ook op de weg van appellante om deskundig tegenbewijs aan te dragen. Appellante heeft weliswaar gesteld, dat zij in februari en maart 2008 in het Maasstad Ziekenhuis is behandeld met zware medicijnen tegen entamoeba histolytica, maar zij heeft voor deze stelling geen schriftelijk bewijs - bijvoorbeeld in de vorm van een verklaring van de toenmalige behandelend arts - overgelegd. Het aandragen van bewijs lag temeer op haar weg, nadat uit de nadere rapportage van Van Genderen was gebleken dat hem geen details ter beschikking waren gesteld van een opname in februari 2008 en dat de behandelende artsen van het Maasstad Ziekenhuis in hun verslag van de opname van appellante in april 2008, in verband met analyse van gewichtsverlies, de diagnose entamoeba histolytica infectie verworpen hebben. De Raad concludeert uit een en ander dat appellante voor het door haar gestelde causaal verband, en daarmee voor de door haar gestelde beroepsziekte, onvoldoende bewijs heeft aangedragen.

7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

8.

Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.K. Dekker

RH