Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:765

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
12-5298 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een toeslag of periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wubo. In onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/5298 WUBO

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante], [plaatsnaam] Australië (appellante)

de Pensioen en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 augustus 2012, kenmerk BZ01411615 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940‑1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2013. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is in 1937 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. In mei 2011 heeft zij een aanvraag ingediend om een toeslag of periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wubo.

1.2.

Bij besluit van 14 november 2011 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen gerichte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft overwogen dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo.

2.

Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1.

In artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt omschreven wie onder burger-oorlogsslachtoffers worden verstaan. Tot deze groep behoren degenen die tijdens de oorlogsjaren 1940‑1945 of gedurende de daaraan aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalig Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiapperiode) als burger lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen ten gevolge van:

  • -

    met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

  • -

    direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiapperiode;

  • -

    confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiapperiode.

2.2.

De Raad kan verweerder volgen in diens standpunt dat in het geval van appellante niet is gebleken van calamiteiten die onder de werking van de Wubo kunnen worden gebracht. Uit het relaas van appellante en haar oudere broer en zussen komt naar voren dat de huiszoekingen door de Japanners niet tegen hun persoon waren gericht, maar dat men voornamelijk op zoek was naar eten en bruikbare spullen. Er kan ook niet uit worden afgeleid dat gebruik is gemaakt van excessief geweld. Daarbij moet het gaan om objectief gezien zeer ernstig en uitermate schokkend fysiek optreden tegenover derden dat op één lijn is te stellen met doodslag en executie (CRvB 27 augustus 2009, LJN BJ6588). Het bij de beentjes uit de wieg tillen van het jongste broertje voldoet niet aan deze maatstaf. Ook het doodsteken van de hond van de buren kan niet worden aangemerkt als extreem geweld tegen derden. Het urenlang in schuilkelders moeten schuilen voor luchtaanvallen is evenmin voldoende, nu op grond van hetgeen is aangevoerd geen directe betrokkenheid bij die aanvallen kan worden vastgesteld. Van doden, gewonden of aanmerkelijke schade in de nabije omgeving is geen sprake geweest.

2.3.

Verweerder heeft zijn onder 2.2 besproken standpunt terecht gebaseerd op het beleid zoals dit ten tijde van de aanvraag van appellante van toepassing was. Dit beleid is door de Raad reeds vele malen aanvaardbaar geoordeeld. Ook de aanvraag van de broer van appellante is op grond van dit huidige beleid afgewezen. Dat de zusters van appellante wel als burger-oorlogsslachtoffer of oorlogsgetroffene zijn erkend, is te verklaren uit de omstandigheid dat destijds  in 1992  nog ruimere beleidscriteria werden gehanteerd. Bovendien hebben de zusters deels andere dingen meegemaakt dan appellante. Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan onder deze omstandigheden niet worden gesproken (CRvB 29 september 2005, LJN AU3825).

2.4.

De klacht van appellante dat verweerder haar huisarts en behandelend psychiater niet heeft geraadpleegd, treft evenmin doel. Aan een medische beoordeling komt verweerder pas toe indien één of meer oorlogscalamiteiten in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wubo zijn vastgesteld. In het geval van appellante is van erkende oorlogscalamiteiten echter geen sprake. Een medische beoordeling was daarom niet aan de orde.

2.5.

Het vorenstaande doet er niet aan af dat appellante een angstige tijd heeft doorgemaakt, die bij haar een onuitwisbare indruk zal hebben achtergelaten. Maar hoe ingrijpend de gebeurtenissen ook zijn geweest, zij voldoen niet aan de specifieke eisen die de Wubo stelt. Daarbij is nog van belang dat algemene oorlogsomstandigheden, waaraan iedereen in meerdere of mindere mate heeft blootgestaan, niet als calamiteiten in de zin van de Wubo kunnen worden beschouwd.

2.6.

Het beroep is dus ongegrond.

3.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2013.

(getekend) R. Kooper

(getekend) T.A. Meijering

HD