Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:760

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
11-2049 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat het nieuwe besluit de terughoudende toetsing kan doorstaan. De Raad onderschrijft het oordeel van de staatssecretaris, dat het advies van de commissie helder is verwoord en met concrete kritiek en voorbeelden is onderbouwd. Er is geen grond voor de stelling, dat het oordeel van de sac niet op zorgvuldige wijze is totstandgekomen, of dat de staatssecretaris niet in redelijkheid tot zijn afwijzing van appellant voor een groepsfunctie op F niveau heeft kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2049 AW, 13/410 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 maart 2011, 10/422 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [Woonplaats] (appellant)

de Minister van Financiën, thans de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 9 augustus 2012 een tussenuitspraak gedaan.

De staatssecretaris heeft op 19 december 2012 een nieuw besluit genomen.

Voor zijn zienswijze heeft appellant verwezen naar brieven van hem en zijn gemachtigde

mr. J.L.A. Helmer, advocaat, van 8 en 11 december 2012. Namens de selectieadviescommissie is daarop gereageerd.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Helmer. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Leersum.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn tussenuitspraak van 9 augustus 2012 (tussenuitspraak).

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar van 26 februari 2010 ongegrond verklaard.

3.

Bij zijn tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat de staatssecretaris er ten onrechte vanuit is gegaan, dat het oordeel van de selectieadviescommissie (sac), dat appellant niet geschikt wordt geacht voor de vervulling van de groepsfunctie F, met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Ook inhoudelijk vertoonde het advies van de sac gebreken. Gelet op deze tekortkomingen in het advies lag het op de weg van de staatssecretaris om nadere informatie in te winnen over het resultaat van het selectiegesprek en/of om zich op andere wijze te laten voorlichten over de geschiktheid van appellant. Gezien het tijdsverloop achtte de Raad een herstel van de gebreken in de totstandkoming van het advies niet meer mogelijk. Daarom achtte de Raad het geraden, dat met appellant een nieuw selectiegesprek wordt gehouden en daarover overeenkomstig de voorschriften van het draaiboek een nieuw advies wordt opgemaakt. De staatssecretaris dient met inachtneming van dat advies en zonder acht te slaan op de gegevens van het selectiegesprek van juli 2009 een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De Raad heeft de staatssecretaris met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet opgedragen de gebreken in het besluit van 26 februari 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

4.1.

Op 11 oktober 2012 heeft een nieuw selectiegesprek plaatsgevonden. Dit heeft geresulteerd in een advies van de sac, dat aan appellant en zijn gemachtigde is gestuurd. Op

4 december 2012 heeft een nagesprek plaatsgevonden tussen appellant en twee leden van de sac. Appellant heeft bij brieven van 8 en 11 december 2012 schriftelijk gereageerd op het advies. Deze reactie is door de staatssecretaris voorgelegd aan de sac, die daarop door middel van een brief van haar voorzitter schriftelijk heeft gereageerd. De commissie heeft haar conclusie gehandhaafd dat appellant, met een score van 15 punten op een minimaal te behalen score van 18 punten voor de zes relevante competenties, niet voldaan heeft aan de gestelde eisen voor een groepsfunctie op F niveau.

4.2.

In zijn nieuwe besluit van 19 december 2012 heeft de staatssecretaris geoordeeld dat de sac haar bevindingen en conclusies zorgvuldig heeft onderbouwd. De kritiek is consistent en helder geformuleerd. De staatssecretaris heeft geen redenen om aan de juistheid van de bevindingen van de sac te twijfelen en neemt in het nieuwe besluit het oordeel van de sac over. Dit besluit wordt op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het geding betrokken.

4.3.

Voor zijn zienswijze op het nieuwe besluit heeft appellant verwezen naar zijn brief van 11 december 2012.

5.1.

Zoals de Raad in zijn tussenuitspraak reeds heeft overwogen heeft het bestuursorgaan bij een sollicitatieprocedure beoordelingsvrijheid. Het bestuursorgaan kan bij de toetsing van een kandidaat op zijn vaardigheden zoals hier aan de orde in beginsel volstaan met de toets of het oordeel van de sac op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen (CRvB 8 maart 2001,

LJN AB1089 en TAR 2001, 59). De toetsing door de rechter is in zaken als deze terughoudend. Deze toetsing is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen.

5.2.

De Raad is van oordeel dat het nieuwe besluit deze terughoudende toetsing kan doorstaan. Daarbij heeft hij het volgende van belang geacht.

5.2.1.

Het nieuwe selectiegesprek heeft plaatsgevonden met een commissie van ervaren selecteurs, afkomstig uit de regio Oost-Brabant; een andere regio dan de regio Limburg waar appellant werkzaam is. Appellant heeft zelf aangegeven dat hij het verloop van het gesprek prettig vond en dat de tijd was omgevlogen. Hij kon zich niet herinneren dat hij zich tijdens het gesprek ergens ongemakkelijk onder een vraag voelde.

5.2.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de staatssecretaris, dat het advies van de commissie helder is verwoord en met concrete kritiek en voorbeelden is onderbouwd. Wel is het zo, dat appellant over bepaalde antwoorden die hij zou hebben gegeven een andere - voor hem meer positieve - herinnering heeft dan de commissie in haar verslag heeft neergelegd. De voorzitter van de commissie heeft over deze verschillen de beide andere leden van de commissie geraadpleegd. De commissie blijft vasthouden aan haar weergave van het gesprek. De Raad ziet geen reden om te twijfelen aan de overeenstemmende herinnering van de leden van de commissie, temeer nu de weergave zoals alle drie de leden van de commissie het gesprek hebben meegemaakt, is beschreven in het onderdeel: “samenvattend oordeel” van het verslag van het selectiegesprek van 11 oktober 2012. De Raad acht het niet onwaarschijnlijk, dat de herinnering bij appellant op onderdelen is gemengd met later opgekomen beelden over hetgeen hij ook nog had kunnen zeggen.

5.2.3.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog, dat de commissie ten onrechte bepaalde competenties niet in hun geheel heeft beoordeeld, dan wel teveel waarde heeft gehecht aan één bepaald onderdeel van een competentie. Gegeven de methodiek van een selectiegesprek van beperkte duur, waar volgens de zogenoemde STAR-methode (met Situatie-, Taak-,

Actie-, en Resultaat-vragen) de kandidaat wordt gevraagd zelf voorbeelden te geven waaruit blijkt dat hij de zes vereiste competenties in voldoende mate bezit, is het uitgesloten dat alle aspecten van een competentie volledig aan bod komen. Het komt de Raad voor dat zodanige volledigheid ook niet nodig is om een kandidaat adequaat te kunnen beoordelen. De gekozen methodiek, waarbij de vereiste competenties en de STAR-methode tevoren bekend zijn bij de kandidaten, geeft een kandidaat in ieder geval de mogelijkheid zich erop voor te bereiden om tijdens het gesprek met zelf gekozen voorbeelden zijn beheersing van (onderdelen van) de gevraagde competenties te illustreren. Er is geen grond voor de stelling, dat het oordeel van de sac niet op zorgvuldige wijze is totstandgekomen, of dat de staatssecretaris niet in redelijkheid tot zijn afwijzing van appellant voor een groepsfunctie op F niveau heeft kunnen komen.

5.3

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het beroep tegen het bestreden besluit van 26 februari 2010 gegrond moet worden verklaard en dat besluit moet worden vernietigd. Het beroep tegen het nieuwe besluit van 19 december 2012 zal ongegrond worden verklaard.

6.

De Raad acht termen aanwezig om de staatssecretaris te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar tot een bedrag van € 944,-, in beroep tot een bedrag van € 944,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.652,-, alle wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, dus in totaal € 3.540,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 26 februari 2010 gegrond en vernietigt

dat besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 19 december 2012 ongegrond;

  • -

    bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep

betaalde griffierecht van in totaal € 377,- vergoedt;

- veroordeelt de staatssecretaris in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.540,- .

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en

A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2013.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) B. Rikhof

HD