Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:756

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
01-07-2013
Zaaknummer
11-5871 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weliswaar was sprake van een dreigende impasse, maar dat nog geen impasse was ontstaan, zodat het college niet bevoegd was om appellant op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO ontslag te verlenen per 1 juni 2009. Vernietiging besluit.Vernietiging uitspraak. De Raad ziet aanleiding om het besluit van 25 mei 2009 te herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/150
ABkort 2013/259
ABkort 2013/259
Module Ambtenarenrecht 2016/1666
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/5871 AW

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van

31 augustus 2011, 09/5078 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [Woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [Naam gemeente](college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft mr. T.B. Vandeginste, advocaat, nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vandeginste. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. T.A. Velo, advocaat, en A.J.M. Reintjes.

OVERWEGINGEN

1.1 Appellant was vanaf 1977 werkzaam bij de gemeente [Naam gemeente]op het gebied van personeelszaken, laatstelijk als [Naam functie1] bij de afdeling Personeel en Organisatie (PO) van de sector Ondersteuning. Hij heeft steeds naar (grote) tevredenheid van zijn leidinggevenden gefunctioneerd.

1.2. Op 6 oktober 2008 heeft appellant zich ziek gemeld met psychische klachten. De oorzaak van de klachten is volgens de bedrijfsarts een verstoorde arbeidsverhouding tussen appellant en zijn leidinggevende G. Appellant voelt zich door G, die op 1 maart 2008 als nieuw afdelingshoofd PO bij de gemeente [Naam gemeente]in dienst is getreden, onheus bejegend en heeft het gevoel dat G hem liever kwijt dan rijk is. De bedrijfsarts heeft op 14 oktober 2008 mediation geadviseerd om zo snel mogelijk tot een oplossing te komen. Appellant heeft op

15 oktober 2008 tegenover G zijn bereidheid tot mediation uitgesproken. Op 6 november 2008 heeft de bedrijfsarts haar advies herhaald. Ondanks enige aarzeling van de kant van G hebben hij en appellant op 18 december 2008 individuele oriënterende gesprekken gevoerd met G. Hagenaars, mediator bij JS Consultancy. Na de voorverkenning zou over een eventueel vervolgtraject worden besloten.

1.3. Appellant is per 8 december 2008 hersteld gemeld waarna het college hem tot en met

4 januari 2009 buitengewoon verlof heeft verleend. Na een gezamenlijk gesprek van appellant, G en Hagenaars op 24 december 2008 heeft JS Consultancy op 30 december 2008 een offerte uitgebracht voor gespreksbegeleiding met als doel het creëren van een situatie waarin appellant en G effectief met elkaar kunnen samenwerken. Na dit gesprek heeft het managementteam besloten dat “Weer aan het werk” bij het volgende gesprek een van de agendapunten diende te zijn. Van de twee volgende gesprekken, die plaatsvonden op 12 en 29 januari 2009, heeft G per e-mail verslag gedaan aan het sectorhoofd R. Blijkens deze e-mails is vooral gesproken over de met vier andere gemeenten te vormen afdeling P&O in het toekomstige samenwerkingsverband [Naam], waarvan G het afdelingshoofd zou worden. G heeft zijn twijfels geuit over de geschiktheid van appellant voor de drie mogelijke P&O-functies in de nieuwe organisatie, waaronder die van [Naam functie2]. Voor het (blijven) uitoefenen van die functie zou studie nodig zijn en een intensief functionerings- en beoordelingstraject. Met het vierde gesprek, op 29 januari 2009, is de gespreksbegeleiding afgerond; appellant en G zouden op 5 februari 2009 zonder begeleiding spreken over de situatie tot aan de overgang naar het [Naam]. Het buitengewoon verlof is intussen verlengd.

1.4. In een gesprek op 3 februari 2009 met R heeft appellant te kennen gegeven het gevoel te hebben dat hij geen eerlijke kans zou krijgen, als hij in de functie van [Naam functie2] mee zou overgaan naar het [Naam]. In een brief van 9 februari 2009 heeft het college te kennen gegeven dit gevoel niet te delen. Afgesproken wordt dat appellant met R, onder voorbehoud van al zijn rechten, de mogelijkheid zal onderzoeken van een minnelijke beëindiging van zijn aanstelling. In de e-mail waarin appellant dit bevestigt heeft hij uitdrukkelijk vermeld: “Deze bereidheid kan niet worden uitgelegd als erkenning mijnerzijds van de noodzaak om te komen tot een beëindiging van mijn aanstelling.” Verder is afgesproken dat het geplande gesprek tussen appellant en G op 5 februari 2009 niet doorgaat.

1.5. In een brief van 6 maart 2009 aan R heeft de gemachtigde van appellant beschreven dat R en G hadden gezegd dat appellant zijn functie van [Naam functie2], gezien de kritiek van G, alleen kon voortzetten met een intensief functionerings- en beoordelingstraject. Uit de gesprekken van 19 en 26 februari 2009 heeft appellant echter begrepen dat er binnen de nieuwe organisatie een baan als [Naam functie2] voor hem klaar ligt en dat er niets in de weg staat aan hervatting op korte termijn in zijn eigen functie. Appellant ziet ook mogelijkheden om zijn dienstverband op een goede en vruchtbare manier voort te zetten, indien G bereid is om onvoorwaardelijk zijn vertrouwen in hem uit te spreken en er geen functionerings- en beoordelingstraject wordt ingezet. Indien hij onverhoopt de gedane uitlatingen onjuist heeft geïnterpreteerd is hij ook bereid om verder te spreken over minnelijke beëindiging en verzoekt hij R om een voorstel te doen naar aanleiding van de tijdens de gesprekken van 19 en 26 februari 2009 door appellant geschetste uitgangspunten.

1.6. In reactie hierop heeft R namens het college bij brief van 13 maart 2009 benadrukt dat al mondeling te kennen was gegeven dat het gevraagde pakket aan voorzieningen voor een minnelijke regeling niet acceptabel is. Wat de gemeente [Naam gemeente]betreft is er geen sprake van een conflict, onverenigbaarheid van karakters of wat van dien aard dan ook en staat niets appellant in de weg om zijn werkzaamheden te hervatten. Het college ziet twee opties: een bovenwettelijke regeling conform hoofdstuk 10d van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) en outplacement, óf hervatting van de eigen werkzaamheden. Bij hervatting gelden de normale regels en procedures en zullen er derhalve functionerings- en beoordelingsgesprekken met appellant worden gevoerd. Indien appellant niet binnen een week reageert gaat het college ervan uit dat een minnelijke regeling niet mogelijk is en verwacht het college dat appellant op zeer korte termijn zijn werkzaamheden zal hervatten.

1.7. In reactie hierop heeft appellant er bij brief van 19 maart 2009 op gewezen dat op grond van het beleid van de gemeente [Naam gemeente]geen beoordelingsgesprekken worden gehouden met ambtenaren die, zoals hij, het maximum van hun maximum salarisschaal hebben bereikt, tenzij zij onvoldoende functioneren. Appellant bestrijdt dat hij onvoldoende functioneert, dat is ook niet vastgesteld in enig functioneringsgesprek. Hij verzoekt het college te bevestigen dat er geen ruimte is voor het voeren van beoordelingsgesprekken. Verder verzoekt appellant nogmaals of ook G uitdrukkelijk wil uitspreken: “dat hij vertrouwen heeft in [appellant] en dat er ook wat hem betreft geen enkele belemmering bestaat (in de vorm van onverenigbaarheid van karakters, conflict of anderszins in het functioneren) voor [appellant] om zijn werkzaamheden te hervatten”. Verder heeft appellant zijn bereidheid geuit om na te denken over een regeling gebaseerd op hoofdstuk 10d van de CAR/UWO en nog enkele punten genoemd, zoals een bij de staat van dienst passende wijze van afscheid nemen en compensatie van de gemaakte kosten van rechtsbijstand.

1.8. Nadat een reactie op deze brief van de zijde van het college uitbleef heeft de gemachtigde van appellant in de week van 13 april 2009 enkele malen vergeefs telefonisch en per mail contact gezocht met R.

1.9. Op 23 april 2009 heeft het college het voornemen kenbaar gemaakt de aanstelling van appellant per 1 juni 2009 te beëindigen op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO, omdat er een onherstelbare impasse in de arbeidsverhouding is ontstaan door de verstoorde arbeidsverhouding tussen appellant en G. Daarbij heeft het college opgemerkt dat de verstoorde arbeidsverhouding eenzijdig door appellant wordt ervaren en niet gedeeld wordt door G. Bij besluit van 27 mei 2009 heeft het college het ontslag verleend. Bij besluit van

29 september 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van

27 mei 2009 ongegrond verklaard, in afwijking van het advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften van 21 juli 2009 om het bezwaar gegrond te verklaren en het ontslagbesluit te herroepen. Intussen was duidelijk geworden dat de vorming van het [Naam] niet door zou gaan en dat G zijn werkzaamheden bij de gemeente [Naam gemeente]zou beëindigen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 7 april 2009, LJN BK0290) kan de ontslaggrond van artikel 8:8 van de CAR/UWO worden toegepast als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd.

4.2.

In plaats van de door de bedrijfsarts geadviseerde mediation hebben uiteindelijk begeleide gesprekken plaatsgevonden. Daarin is het door appellant ervaren gebrek aan vertrouwen van G in zijn functioneren bevestigd. De stukken bieden echter geen onderbouwing voor een eventueel onvoldoende functioneren van appellant en ook ter zitting heeft het college niet kunnen aangeven waarop de mening van G over het functioneren van appellant was gebaseerd. Na afronding van de begeleide gesprekken bestond bij appellant nog steeds het gevoel dat G geen vertrouwen in hem had.

4.3.

Dat appellant op dat moment, onder voorbehoud van rechten, ook de mogelijkheid van een minnelijke beëindiging van zijn dienstverband heeft willen onderzoeken is op zichzelf geen reden voor het aannemen van een impasse, zeker niet nu hij uitdrukkelijk heeft vermeld dat hij geen noodzaak ziet om zijn aanstelling te beëindigen.

4.4.

Gedurende de onderhandelingen, die dus niet alleen gingen over een eventuele minnelijke regeling, maar ook over mogelijke werkhervatting, is het buitengewoon verlof verlengd.

4.5.

Wat het college betreft kon appellant zijn eigen werk hervatten en ook appellant heeft te kennen gegeven dat hij zijn werk wilde hervatten, mits niet alleen het college, maar ook G zijn vertrouwen in hem zou uitspreken en er geen intensief functionerings- en beoordelingstraject gevoerd zou worden. In de brief van 13 maart 2009 heeft het college niet gereageerd op de vertrouwenskwestie, wel op de voorwaarde van appellant over het functionerings- en beoordelingstraject. Gelet op het toen bij de gemeente [Naam gemeente]geldende Reglement Beoordelen en Belonen, op grond waarvan appellant niet zou worden beoordeeld tenzij rechtspositionele maatregelen overwogen werden, was het verzoek van appellant in zijn binnen de gegeven termijn verzonden brief van 19 maart 2009 om te bevestigen dat geen beoordelingsgesprekken gehouden zouden worden, niet zonder grond. Appellant heeft in deze brief zijn wens om te hervatten nog eens benadrukt.

4.6.

Ten tijde van het voornemen tot ontslag was er geen sprake van een impasse; beide partijen hadden nadrukkelijk te kennen gegeven dat hervatting mogelijk was, zij waren nog in onderhandeling en appellant had nog buitengewoon verlof. De mogelijkheden om tot een oplossing te komen waren nog niet uitgeput. Als het college van mening was dat een minnelijke regeling niet meer mogelijk was en dat de voorwaarden die appellant stelde aan hervatting onaanvaardbaar waren, had hij appellant daarmee gemotiveerd moeten confronteren, het buitengewoon verlof moeten intrekken en hem de opdracht moeten geven om zijn werk te hervatten. Dat is niet gebeurd. Anders dan het college heeft gesteld is ook niet gebleken dat is gezocht naar een andere oplossing om ontslag te voorkomen, zoals detachering of interne overplaatsing. In zijn zienswijze en tijdens de bezwaarprocedure heeft appellant de wens om zijn werk te hervatten herhaald.

4.7.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat weliswaar sprake was van een dreigende impasse, maar dat nog geen impasse was ontstaan, zodat het college niet bevoegd was om appellant op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO ontslag te verlenen per 1 juni 2009. Dit betekent dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om het besluit van 25 mei 2009 te herroepen.

5.

Er is verder aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellant in verband met de behandeling van het bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 944,-. Verder is er aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant die worden begroot op € 944,- in beroep en € 472,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 29 september 2009;

  • -

    herroept het besluit van 27 mei 2009 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit 29 september 2009;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 377,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.360,-.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J. Th. Wolleswinkel en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2013.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) E. Heemsbergen

ew