Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:753

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
12-1798 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Appellant heeft onvolledige inlichtingen verstrekt over zijn verblijf in het buitenland en over zijn woon- en leefsituatie, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Het college heeft zich daarbij mede gebaseerd op de duur en frequentie van het aangetoonde verblijf in het buitenland, het lage water-, gas- en elektriciteitsverbruik en de bevindingen van het huisbezoek. Periode 1) Uit onderzoek van de bankafschriften en de daaruit gebleken pintransacties in het buitenland, is gebleken dat appellant in die periode zeer frequent en soms wekenlang in het buitenland heeft verbleven, veelal zonder voorafgaande melding bij het college. Dat appellant thans niet meer in staat is duidelijkheid over deze periode te verschaffen, dient voor zijn rekening en risico te blijven. Periode 2) Onvoldoende grond voor het standpunt van het college dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Het gaat in die periode van ruim zestien maanden slechts om een beperkt aantal (46) vastgestelde dagen van verblijf in het buitenland. Dit is, mede gelet op het aantal dagen dat het appellant is toegestaan met behoud van bijstand in het buitenland te verblijven (dertien weken), onvoldoende om eraan te twijfelen of appellant in die periode op het uitkeringsadres woonde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/1798 WWB, 12/4442 WWB

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van
22 februari 2012, 11/7262 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te ’s-Gravenhage (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.L. Gijsberts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een nader besluit toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gijsberts en vergezeld van A. Morgahi als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 5 juni 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van de bevindingen van een onderzoek door de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst SZW van de gemeente ’s-Gravenhage, neergelegd in een rapport van 18 maart 2011, heeft het college bij besluit van 28 maart 2011 over de periode van 5 juni 2001 tot en met 28 februari 2011 de bijstand van appellant herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 125.462,-- van hem teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 8 augustus 2011 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2011 ongegrond verklaard.

1.4.

Bij besluit van 9 januari 2012 (bestreden besluit 2) heeft het college het bestreden

besluit 1 ingetrokken en het bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij heeft het college over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 augustus 2006 de intrekking van de bijstand niet langer gehandhaafd en in plaats daarvan de bijstand herzien op de grond dat het recht op bijstand alsnog kan worden vastgesteld door de verzwegen inkomsten in mindering te brengen op de verstrekte bijstand. Voorts heeft het college de intrekking van de bijstand over de periode van 27 december 2006 tot en met

23 november 2009 gehandhaafd en het terugvorderingbedrag verlaagd tot € 57.144,09. Aan de intrekking en terugvordering over de in hoger beroep nog van belang zijnde periode van

27 december 2006 tot en met 23 november 2009 (te beoordelen periode) ligt ten grondslag dat appellant onvolledige inlichtingen heeft verstrekt over zijn verblijf in het buitenland en over zijn woon- en leefsituatie, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2.1

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaard, het bestreden besluit 2 vernietigd behalve voor zover daarbij de intrekking van de bijstand over de periode van 27 december 2006 tot en met

23 november 2009 is gehandhaafd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

2.2.

Bij besluit van 12 maart 2012 (bestreden besluit 3) heeft het college, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, het terugvorderingsbedrag over de periode van 27 december 2006 tot en met 23 november 2009 vastgesteld op een bedrag van € 40.628,69.


3. Nu het bestreden besluit 3 niet geheel tegemoet komt aan de bezwaren van appellant, zal de Raad het bestreden besluit 3 met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de beoordeling in hoger beroep betrekken.

4.

Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Hij betwist niet dat hij in de te beoordelen periode vele malen in het buitenland heeft verbleven en dat hij dit niet altijd tijdig heeft doorgegeven. Nu het in 2006 en 2007 slechts om een klein aantal dagen gaat, kan het recht op bijstand wel degelijk worden vastgesteld. Voor wat betreft 2008 en 2009 zou appellant het standpunt dat het recht niet kan worden vastgesteld kunnen volgen, indien het college zich zou baseren op juiste gegevens. Het college heeft echter diverse keren aangenomen dat appellant in het buitenland verbleef, terwijl uit de stukken kan worden afgeleid dat dit niet het geval was. De bevindingen van het huisbezoek op 19 oktober 2006 zijn ten onrechte in de besluitvorming betrokken, omdat dat huisbezoek ruim twee maanden voor de te beoordelen periode ligt. Tegen het bestreden besluit 3 heeft appellant geen zelfstandige gronden naar voren gebracht.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

5.2.

Schending van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB is op zichzelf onvoldoende voor intrekking van de bijstand. Daarvoor is immers tevens vereist dat de schending van de inlichtingenverplichting tot gevolg heeft gehad dat ten onrechte bijstand is verleend of dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

5.3.

Aan de intrekking en terugvordering over de te beoordelen periode ligt ten grondslag dat appellant onvolledige inlichtingen heeft verstrekt over zijn verblijf in het buitenland en over zijn woon- en leefsituatie, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Het college heeft zich daarbij mede gebaseerd op de duur en frequentie van het aangetoonde verblijf in het buitenland, het lage water-, gas- en elektriciteitsverbruik en de bevindingen van het huisbezoek.

5.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De te beantwoorden vraag is of hierdoor het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld.

5.5.

De Raad ziet aanleiding onderscheid te maken tussen de periode van 27 december 2006 tot 13 mei 2008 en de periode van 13 mei 2008 tot en met 23 november 2009.

5.6.

Ten aanzien van de laatste periode van 13 mei 2008 tot en met 23 november 2009 bestaat voldoende grond voor het standpunt van het college dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Uit onderzoek van de bankafschriften en de daaruit gebleken pintransacties in het buitenland, is gebleken dat appellant in die periode zeer frequent en soms wekenlang in het buitenland heeft verbleven, veelal zonder voorafgaande melding bij het college. Daarbij komt dat dit verblijf grotendeels plaatshad bij zijn vrouw en kinderen die in Duitsland wonen. Als gevolg van de hierdoor gerezen gerechtvaardigde twijfel of appellant in die periode op het uitkeringsadres woonde, welke twijfel door appellant niet is weggenomen, kan het recht op bijstand over de periode van 13 mei 2008 tot en met 23 november 2009 niet worden vastgesteld. Zoals ook ter zitting is gebleken, zou appellant dit oordeel over deze periode kunnen volgen, als het college zich zou baseren op juiste gegevens over het verblijf in het buitenland in die periode, hetgeen volgens appellant niet het geval is. Ook indien echter de door appellant genoemde dagen waarop hij in ’s-Gravenhage zou zijn geweest, in mindering worden gebracht op het door het college vastgestelde aantal dagen van verblijf in het buitenland, kan dit niet tot een ander oordeel leiden, nu het door appellant genoemde aantal dagen verwaarloosbaar is op het totaal van het aantal dagen in de periode van 13 mei 2008 tot en met 23 november 2009. Dat appellant thans niet meer in staat is duidelijkheid over deze periode te verschaffen, dient voor zijn rekening en risico te blijven.

5.7.

Ten aanzien van de periode van 27 december 2006 tot 13 mei 2008 bestaat onvoldoende grond voor het standpunt van het college dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Het gaat in die periode van ruim zestien maanden slechts om een beperkt aantal (46) vastgestelde dagen van verblijf in het buitenland. Dit is, mede gelet op het aantal dagen dat het appellant is toegestaan met behoud van bijstand in het buitenland te verblijven (dertien weken), onvoldoende om eraan te twijfelen of appellant in die periode op het uitkeringsadres woonde. Het waterverbruik was ten tijde van belang ongeveer een derde van het gemiddeld verbruik per persoon en het gas- en elektriciteitsverbruik ongeveer de helft. Dat verbruik is weliswaar laag, maar niet zo laag dat op grond daarvan moet worden betwijfeld of appellant op het uitkeringsadres woonde. De bevindingen van het huisbezoek op 19 oktober 2006 leiden evenmin tot een andere conclusie. Niet alleen heeft dit huisbezoek plaatsgevonden ruim twee maanden voorafgaand aan de te beoordelen periode, maar ook blijkt uit de bevindingen van het huisbezoek niet dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde. De woning was ingericht, er waren in ruime mate kleding en etenswaren aanwezig, en ook is administratie aangetroffen. Dat Duitse etenswaren en in Duitsland verstrekte medicijnen in zijn woning zijn aangetroffen, is een indicatie dat appellant destijds regelmatig in Duitsland kwam, maar niet dat hij niet op het uitkeringsadres woonde. De conclusie is dat onvoldoende grond bestaat voor intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 27 december 2006 tot 13 mei 2008.

5.8.

Uit 5.5 tot en met 5.7 volgt dat het hoger beroep ten dele slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover aangevochten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit 2 tevens vernietigen voor zover daarbij de intrekking van de bijstand over de periode van 27 december 2006 tot 13 mei 2008 is gehandhaafd, het besluit van 28 maart 2011 herroepen voor zover daarbij de bijstand over de periode van 27 december 2006 tot 13 mei 2008 is ingetrokken en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit 2. Omdat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden aangemerkt, zal het bestreden besluit 3 in zijn geheel worden vernietigd. Het college zal over de periode van 13 mei 2008 tot en met 23 november 2009 het terug te vorderen bedrag opnieuw moeten vaststellen. Gelet op 5.6 heeft het college de bevoegdheid de over deze periode gemaakte kosten van bijstand geheel terug te vorderen. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om over deze periode zelf in de zaak te voorzien. Aangezien het nog slechts gaat om een financiële uitwerking die naar verwachting geen discussie zal opleveren, bestaat geen aanleiding voor toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschilbeslechting.

6.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 944,-- voor de kosten van verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    vernietigt het besluit van 9 januari 2012 voor zover daarbij de intrekking van de bijstand over de periode van 27 december 2006 tot 13 mei 2008 is gehandhaafd;

  • -

    herroept het besluit van 28 maart 2011 voor zover daarbij de bijstand over de periode van 27 december 2006 tot 13 mei 2008 is ingetrokken en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 9 januari 2012;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 12 maart 2012 gegrond en vernietigt dit besluit;

  • -

    draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen voor zover het de terugvordering betreft, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 944,--;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en E.J.M. Heijs

en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) V.C. Hartkamp

RH