Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:752

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
11-3283 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking en terugvordering bijstand. Appellant en ex-echtgenoot hebben 3 kinderen. Toereikende grondslag dat appellante en ex-echtgenoot hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres. 2) Weigering bijstand naar aanleiding van nieuwe aanvraag wegens overschrijding vermogensgrens. Vermogen op spaarrekeningen van kinderen. Gezien de schuld ten gevolge van de terugvordering is geen sprake van overschrijding van de vermogensgrens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/3283 WWB, 11/3358 WWB

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Alkmaar van 21 april 2011, 10/1101 (aangevallen uitspraak 1) en 10/1962 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hopman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

R. van Gelder.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is op 12 september 2001 gehuwd met [ex-echtgenoot] ([ex-echtgenoot]). Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren. Appellante en [ex-echtgenoot] hebben vanaf 2 juli 2002 gewoond op het adres [adres J]. [ex-echtgenoot] heeft zich in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op dit adres laten uitschrijven vanaf 3 november 2005 en zich laten inschrijven op het adres [adres A]. Het college heeft aan appellante met ingang van 3 november 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op 19 mei 2006 is tussen appellante en [ex-echtgenoot] de echtscheiding uitgesproken. Met ingang van 18 juli 2007 heeft [ex-echtgenoot] zich ingeschreven op het adres [adres M].

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de klantmanager van appellante is in het kader van het project “hoogwaardig handhaven” onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Uit dit onderzoek is het vermoeden ontstaan dat appellante al langere tijd een gezamenlijke huishouding voert met [ex-echtgenoot] in haar woning op het adres [adres J] (uitkeringsadres). Daarom is het dossier voor nader onderzoek overgedragen aan de Sociale Recherche Noord-Holland Noord (sociale recherche). In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn observaties uitgevoerd en zijn de GBA, de Dienst Wegverkeer en de politie geraadpleegd. Op 11 januari 2010 is de woning van [ex-echtgenoot] aan de [adres M] doorzocht. Daarbij is een hennepplantage aangetroffen. Ook de woning van appellante is toen doorzocht. Daarbij is de administratie en een groot aantal persoonlijke bezittingen van [ex-echtgenoot] aangetroffen. [ex-echtgenoot] en appellante zijn aangehouden en afzonderlijk van elkaar verhoord. Voorts zijn verschillende getuigen gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal met als afsluitdatum 10 februari 2010. Geconcludeerd is dat appellante en [ex-echtgenoot] vanaf 1 januari 2007 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd zonder dat appellante het college daarvan op de hoogte heeft gesteld.

1.3.

Bij besluit van 3 maart 2010 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 11 januari 2010 beëindigd (lees: ingetrokken) en over de periode van 1 januari 2007 tot

11 januari 2010 ingetrokken. Bij besluit van 26 april 2010 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 maart 2010 ongegrond verklaard. Daartoe is gesteld dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het recht op bijstand vanaf 1 januari 2007 niet kan worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 25 mei 2010 heeft het college een nieuwe aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat na 11 januari 2010 in de situatie van appellante niets is veranderd. Bij besluit van 23 augustus 2010 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 mei 2010 ongegrond verklaard onder wijziging van de grondslag. Inmiddels was namelijk gebleken dat appellante beschikte over spaarrekeningen die op naam van haar kinderen staan met een totaal saldo van € 13.888,80. Het gaat daarbij om vermogen dat de vanaf 1 januari 2010 geldende vermogensgrens van € 10.960,-- voor een alleenstaande ouder overschrijdt. Appellante heeft daardoor geen recht op bijstand. Nadien heeft het college bij besluit van

24 augustus 2010 naar aanleiding van een volgende aanvraag appellante alsnog bijstand toegekend op de grond dat zij op dat moment voldoende heeft ingeteerd op haar vermogen.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank - voor zover van belang - het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten voor zover dit betreft de periode van 1 januari 2007 tot en met 11 januari 2010 en is aan het college de opdracht gegeven om een nieuw besluit op bezwaar te nemen voor de periode van 12 januari 2010 tot en met 3 maart 2010, de datum van het intrekkingsbesluit. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellante en [ex-echtgenoot] gedurende de periode van 1 januari 2007 tot en met 11 januari 2010 een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres. Voor de periode na 11 januari 2010 kan dit volgens de rechtbank niet worden vastgesteld. Vaststaat dat de woning [adres M] op 11 januari 2010 is ontruimd, in die zin dat de hennepkwekerij is verwijderd. Appellante heeft gesteld dat na 11 januari 2010 de bezittingen van [ex-echtgenoot] zijn terugverhuisd naar de [adres M]. Niet is gebleken dat het college ten aanzien van de periode van 12 januari 2010 tot en met 3 maart 2010 onderzoek heeft verricht naar het aanwezig zijn van een gezamenlijk hoofdverblijf. Het bestreden besluit ontbeert ten aanzien van deze periode onderbouwing van het standpunt van het college dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Dit leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit, voor zover het op die periode betrekking heeft, niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het college dient ten aanzien van deze periode een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het college ten onrechte in het bestreden besluit niet is ingegaan op de gegevens die appellante op 22 juli 2010 heeft overgelegd inzake een schuld van € 8.000,-- bij een vriend en betalingsachterstanden van respectievelijk € 486,26 en € 266,48 bij de woningbouwvereniging en de zorgverzekering. Het bestreden besluit is op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd en komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtsgevolgen kunnen echter in stand blijven, omdat het bestaan van de schuld van € 8.000,-- ten tijde van de aanvraag niet voldoende aannemelijk is geworden. De betalingsachterstanden bij de woningbouwvereniging en de zorgverzekering zijn van dien aard dat ook indien het vastgestelde vermogen van € 13.888,80 daarmee zou worden verminderd, sprake is van een overschrijding van de vermogensgrens.

3.

Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 richt zich tegen de beslissing van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven voor zover het betreft de periode van 1 januari 2007 tot en met 11 januari 2010. Bij het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 heeft appellante erop gewezen dat deze zaak nauw verbonden is met de andere zaak. Het hoger beroep richt zich ook in die zaak tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit. Appellante heeft in beide zaken bestreden dat sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Aan de door haar tijdens het onderzoek afgelegde verklaring kan geen waarde worden toegekend, omdat deze onder druk is afgelegd. De bijstand is daarom ten onrechte ingetrokken en had ook na 11 januari 2010 moeten worden voortgezet. Een nieuwe aanvraag om bijstand zou dan niet nodig zijn geweest en het vermogen opgebouwd tijdens bijstandsverlening is dan ook niet relevant. In het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 heeft appellante subsidiair aangevoerd dat bij het beoordelen van de nieuwe aanvraag ten onrechte geen rekening is gehouden met de schulden en dat geen sprake was van overschrijding van de vermogensgrens. Er had dan ook op een eerdere datum dan op 17 juni 2010 weer bijstand moeten worden toegekend.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

4.1.

Artikel 3, derde lid, van de WWB bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de WWB - voor zover van belang - wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest en/of uit hun relatie een kind is geboren.

4.3.

Vaststaat dat appellante en [ex-echtgenoot] met elkaar gehuwd zijn geweest en dat uit hun huwelijk drie kinderen zijn geboren. Gelet op het bepaalde in artikel 3, vierde lid, van de WWB is daarom, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voor de beantwoording van de vraag of gedurende de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding uitsluitend bepalend of appellante en [ex-echtgenoot] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.4.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. In de hier te beoordelen periode, die loopt vanaf

1 januari 2007 tot en met 11 januari 2010, was [ex-echtgenoot] ingeschreven op een ander adres dan appellante. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft echter niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.5.

De rechtbank heeft zwaarwegende betekenis toegekend aan de door appellante ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en door haar ondertekende verklaring. Appellante heeft op 12 januari 2010 het volgende verklaard: “Het is ook zo dat Roberto inderdaad sinds begin 2007 bij mij zijn hoofdverblijf heeft. Maar onze relatie was toen nog niet zo stabiel. U legt mij uit dat het daar niet om gaat, maar om de feitelijke situatie. Waar hij feitelijk het meeste verbleef. Ja dat was bij mij.”. Op de vraag waarom zij niet heeft opgegeven dat [ex-echtgenoot]feitelijk bij haar woonde heeft zij geantwoord: “Ik heb het niet opgegeven omdat ik onzeker was over onze relatie. Daarnaast was hij niet altijd bij mij en betaalde hij verder ook niets. Dus ik draaide voor de kosten op en had dus die uitkering nodig. Ik vond dus dat de situatie niet veranderd was. Ik heb het altijd gezien dat hij gewoon vaak op visite kwam. U heeft hij uitgelegd dat hij zijn hoofdverblijf heeft bij mij. Dat begrijp ik nu wel.”.

4.6.

Appellante heeft aangevoerd dat zij haar verklaring onder druk heeft afgelegd omdat zij, nadat zij al een nacht in de cel had doorgebracht, naar haar kinderen wilde. Zij heeft volgens haar uiteindelijk maar gezegd wat de sociaal rechercheurs wilden horen omdat zij anders nog een nacht in de cel zou moeten doorbrengen. De sociaal rechercheur Koster, die samen met een collega het verhoor heeft afgenomen, heeft ter zitting van de rechtbank het verloop van het verhoor beschreven en verklaard dat geen ontoelaatbare druk op appellante is uitgeoefend. De rechtbank zag geen aanleiding om aan die verklaring te twijfelen. Beide sociaal rechercheurs zijn in de strafzaak als getuigen gehoord. Appellante heeft deze getuigenverklaringen in hoger beroep overgelegd.

4.7.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 26 januari 2012, LJN BV2512) mag in het algemeen van de juiste weergave van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Dit blijkt ook niet uit de in hoger beroep overgelegde getuigenverklaringen van de sociaal rechercheurs. De verklaring van appellante vindt bovendien steun in de bevindingen bij de doorzoeking van haar woning, waarbij onder meer de administratie van [ex-echtgenoot] over een aantal jaren is aangetroffen, het grote aantal door de sociale recherche verrichte waarnemingen in de periode van 21 september 2009 tot en met 11 januari 2010, waarbij de auto van [ex-echtgenoot] frequent bij het uitkeringsadres is gesignaleerd en de door getuigen afgelegde verklaringen. [ex-echtgenoot] heeft tijdens zijn verhoor op 11 januari 2010 verklaard dat hij - nadat hij en appellante uit elkaar zijn gegaan - bij zijn moeder op de[adres A] is gaan wonen, maar ook wel woonde bij zijn vriend [vriend]. De vrouw van deze vriend is als getuige gehoord en heeft ontkend dat [ex-echtgenoot] in 2007 bij haar en haar man heeft gewoond. Ze wist ook niet waar hij wel woonde. Voorts zijn op 12 januari 2012 verklaringen afgelegd door buurtbewoners van het uitkeringsadres. Zo heeft de bewoonster van de woning aan de [adres J] 78, die daar vier en een half jaar woont, verklaard dat op nummer 82 een man, een vrouw en drie kinderen wonen en dat zij daar al woonden toen zij daar kwam wonen. Ook de bewoner van de woning aan de [adres J] 88, die daar zes jaar woont, heeft verklaard dat op nummer 82 een man, vrouw en hun drie kinderen wonen. Dat er daarnaast ook buurtbewoners van de [adres M] zijn gehoord die hebben verklaard dat zij [ex-echtgenoot] op of in de buurt van dat adres hebben gezien, doet aan de conclusie over het hoofdverblijf van [ex-echtgenoot] op het uitkeringsadres niet af.

4.8.

De Raad onderschrijft derhalve het oordeel van de rechtbank dat een toereikende grondslag bestaat voor de conclusie dat appellante en [ex-echtgenoot] in de periode van 1 januari 2007 tot en met 11 januari 2010 beiden hun hoofdverblijf op het uitkeringsadres hadden.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 2

4.10.

Ter zitting van de Raad heeft het college desgevraagd erkend dat bij de vaststelling van het vermogen in het kader van de nieuwe aanvraag rekening had moeten worden gehouden met het feit dat bij besluit van 19 april 2010 de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2007 tot 11 januari 2010 tot een bedrag van € 48.626,75 van appellante zijn teruggevorderd en vanaf 19 april 2010 geen sprake is van een overschrijding van de vermogensgrens. Het teruggevorderde bedrag moet immers als schuld worden aangemerkt. Volgens het college bestaat bij nader inzien met ingang van 19 april 2010 recht op bijstand. Met deze ingangsdatum heeft appellante zich ter zitting verenigd. Dit betekent dat bestreden besluit 2 niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak 2 voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

4.11.

De Raad zal voorts, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien, het besluit van 25 mei 2010 herroepen en bepalen dat appellante met ingang van 19 april 2010 recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

5.

In de zaak met nummer 11/3283 bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten . In de zaak met nummer 11/3358 bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Aangezien herroeping van het besluit van

25 mei 2010 geschiedt wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid, zal de Raad het college tevens veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar tegen dit besluit heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 944,-- voor verleende rechtsbijstand. De proceskosten worden begroot op € 944,-- in beroep en op

€ 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. In totaal bedraagt de kostenvergoeding € 2.832,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten;

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak 2;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 augustus 2010;

  • -

    herroept het besluit van 25 mei 2010;

  • -

    bepaalt dat appellante met ingang van de 19 april 2010 recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 23 augustus 2010;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.832,--;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep in de zaak met nummer 11/3358 betaalde griffierecht van in totaal € 112,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en E.J.M. Heijs en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) V.C. Hartkamp

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD