Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:748

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
12-1862 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Niet gemelde werkzaamheden verricht als zangeres van Hindoestaanse muziek. Appellante is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat, als wel aan de inlichtingenverplichting was voldaan, in de betreffende periode recht op bijstand bestond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/1862 WWB

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

22 februari 2012, 11/6539 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. J. de Visser, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2013. Voor appellante is verschenen mr. T.Y. Tsang, kantoorgenoot van mr. De Visser. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Bogaards.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 22 augustus 1997 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In maart 2011 heeft het college een anonieme melding ontvangen met de mededeling dat appellante werkzaamheden zou verrichten als zangeres van Hindoestaanse muziek. Naar aanleiding van die melding is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is appellante opgeroepen voor een gesprek op 13 april 2011 met twee ambtenaren van de Afdeling Bijzonder Onderzoek. De weergave van dit gesprek is opgenomen in een Rapportageformulier confrontatie en de resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een Confrontatie verslag van 13 april 2011. Appellante heeft verklaard dat zij € 35,-- tot € 50,-- voor een optreden ontvangt en dat het daarbij gaat om een onkostenvergoeding. Tevens heeft zij verklaard dat haar zoon cd’s van haar optredens heeft uitgebracht maar dat zij hiervoor geen geld heeft ontvangen. Appellante heeft haar activiteiten als zangeres niet gemeld aan het college omdat zij die activiteiten als een hobby beschouwt waarmee zij niets heeft verdiend. Het college heeft bij brief van 18 april 2011 aan appellante gevraagd om voor 28 april 2011 de balans en de winst- en verliesrekeningen vanaf 2006 over te leggen. Appellante heeft bij brief van 20 april 2011 laten weten dat ze deze stukken niet kan overleggen omdat zij geen geld heeft verdiend met haar optredens als zangeres. Op 28 april 2011 is op verzoek van appellante nogmaals met haar, in het bijzijn van haar zoon, een gesprek gevoerd.

1.2.

Bij besluit van 9 mei 2011 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van

1 mei 2011 ingetrokken. Bij besluit van 11 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat ter beoordeling staat de periode van 1 mei 2011 tot en met 9 mei 2011, de datum van het intrekkingsbesluit. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat in een geval zoals dat zich hier voordoet, waarin de intrekking niet is beperkt tot een bepaalde periode, de werking van het intrekkingsbesluit zich ook uitstrekt over de periode na de datum van het primaire besluit. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante, in strijd met de op haar ingevolge artikel 17 van de WWB rustende inlichtingenverplichting, geen melding heeft gemaakt van haar activiteiten als zangeres. Daarbij heeft de rechtbank de beroepsgrond dat slechts sprake is van een hobbymatige activiteit verworpen. Omdat het recht op bijstand niet is vast te stellen is het college terecht overgegaan tot intrekking van de bijstand.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe is aangevoerd dat de gevolgen die appellante ondervindt van de besluitvorming van het college niet in verhouding staan tot de feiten die haar worden verweten. Het gaat immers maar om kleine bedragen die appellante af en toe ontving. Met dat geld kocht ze soms een nieuwe jurk, oorbellen of een ketting die ze vervolgens weer kon gebruiken bij een volgend optreden op een feestje of in de kerk. Het ging dus eigenlijk om een onkostenvergoeding. Van winst is geen sprake. De intrekking van de bijstand werkt ook door voor het AOW-pensioen dat appellante sinds 1 februari 2012 ontvangt. Omdat appellante niet altijd in Nederland heeft gewoond ontvangt zij geen volledig pensioen. Voor een Aanvullende inkomensvoorziening ouderen op grond van artikel 47a van de WWB komt ze niet in aanmerking. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft de aanvraag hiervoor afgewezen. Hierdoor moet appellante leven van een inkomen dat blijft steken rond de € 400,-- per maand. Bovendien is ze geconfronteerd met een terugvordering van € 170.000,-- omdat de bijstand vanaf het begin is teruggevorderd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het in dit geding van belang zijnde wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

In dit geding staat uitsluitend de periode van 1 mei 2011 tot en met 9 mei 2011 ter beoordeling. Ter zitting is de Raad gebleken dat het college over de periode daarvoor een herzienings- en terugvorderingsbesluit heeft genomen en dat tegen dat besluit geen rechtsmiddel is ingesteld. De Raad kan dat besluit niet in de beoordeling betrekken. Hetzelfde geldt voor het besluit van de Svb over de Aanvullende inkomensvoorziening ouderen.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante als zangeres heeft opgetreden met de muziekband van haar zoon. Uit het onderzoek is onder andere gebleken dat appellante op

27 februari 2011 een optreden heeft gehad in feestzaal [feestzaal] in [woonplaats]. Voor dit optreden, waarbij van de bezoekers entreegeld werd geheven, en ook voor andere optredens zijn overeenkomsten gesloten die voorzagen in betaling van de band waarin appellante zong. Het laatst bekende optreden van appellante voorafgaand aan de periode in geding heeft plaatsgevonden op 29 april 2011. Voorts staat vast dat van de door appellante ten gehore gebrachte muziek cd's zijn geproduceerd die in omloop zijn gebracht. Uit de in het dossier aanwezige verklaring van [M] komt voorts naar voren dat kosteloos 150 cd's waarin appellante als zangeres optreedt zijn verstrekt. Niet duidelijk is geworden wat er met die cd's is gebeurd. Dat appellante haar activiteiten zelf als hobby beschouwde doet er niet aan af dat zij voor die activiteiten een vergoeding heeft ontvangen, dan wel dat moet worden gesproken van op geld waardeerbare activiteiten. Appellante was verplicht om hiervan melding te maken bij het college. Deze melding is echter achterwege gebleven. Daarmee heeft appellante haar wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.

4.3.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat, in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.4.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat, als wel aan de inlichtingenverplichting was voldaan, in de betreffende periode recht op bijstand bestond. De stelling van appellante dat zij per optreden slechts € 35,-- of € 50,-- ontving is niet met verifieerbare gegevens onderbouwd. Een deugdelijke administratie ontbreekt. De vier boekingsovereenkomsten die appellante heeft overgelegd van optredens op respectievelijk 22 mei 2010, 10 september 2010, 27 februari 2011 en 2 april 2011, zijn daartoe onvoldoende. Nog afgezien van het feit dat in de boekingsovereenkomsten alleen het totale bedrag wordt genoemd dat aan de band is betaald, is niet aannemelijk geworden dat dit de enige optredens van appellante zijn geweest. Appellante heeft tijdens het confrontatiegesprek op 13 april 2011 zelf verklaard eenmaal in de twee maanden op te treden bij feesten en bruiloften en volgens het Confrontatie verslag van 13 april 2011 heeft onderzoek op internet uitgewezen dat appellante in en buiten [woonplaats] veelvuldig optreedt. Appellante heeft nog aangevoerd dat zij zich niet met de organisatie en financiën van de band van haar zoon bemoeide. Dit ontsloeg haar echter niet van haar verplichting om aan het college opgave van haar activiteiten en inkomsten te doen.

4.5.

De beroepsgrond dat de gevolgen van de intrekking van de bijstand zich ook doen gevoelen na de datum van het intrekkingsbesluit van 9 mei 2011 en dat het leven van appellante hierdoor voorgoed is geruïneerd treft geen doel. Appellante had het immers zelf in de hand om opnieuw bijstand bij het college aan te vragen en daarbij voortaan wel haar inkomsten uit haar activiteiten als zangeres op te geven, dan wel die activiteiten te staken. Ook bij de Svb kan zij een nieuwe aanvraag indienen.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J.T.P. Pot

HD