Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
27-06-2013
Zaaknummer
11-7146 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding? Intrekking en (mede)terugvordering. Uit de relatie tussen appellanten twee kinderen zijn geboren. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat gedurende de periode in geding sprake is geweest van een gezamenlijk hoofdverblijf. De onderzoeksbevindingen, zoals het water- en elektriciteitsverbruik van de woning van appellante en het aan haar adres afgelegde huisbezoek, bieden weliswaar aanknopingspunten voor het standpunt dat appellante wellicht niet gedurende de gehele periode hier van belang op dat adres heeft gewoond, maar het vermoeden dat appellante feitelijk niet woonde op het adres waar zij stond ingeschreven, geeft geen uitsluitsel over de vraag waar zij dan wel verbleef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/7146 WWB, 11/7159 WWB

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 oktober 2011, 11/648, 11/653 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats appellant] (appellant) en [appellante] te [woonplaats appellante] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Pekela (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Henkelman, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens appellante heeft mr. G.A. Versteegh, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2013. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Voor appellante is verschenen mr. Versteegh. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B.P. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten hebben samen twee dochters die bij appellant wonen. Appellante heeft uit een eerdere relatie nog een dochter,[naam dochter], die sinds mei 2007 bij appellant woont. Appellant ontving vanaf 14 juni 2005 een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellant staat ten tijde hier van belang ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op het adres [adres appellant] te [woonplaats appellant] (uitkeringsadres). Appellante ontving van het college van burgemeesters en wethouders van Oldambt, in aanvulling op haar inkomsten bijstand naar de norm voor een alleenstaande van 6 juli 2006 tot en met 30 april 2007 en vanaf 13 januari 2009. Appellante staat vanaf 1 maart 2006 ingeschreven op het adres[adres appellante] te [woonplaats appellante] (adres van appellante).

1.2.

Naar aanleiding van een interne fraudemelding van 16 juli 2009, afkomstig van de werkcoach van appellante, op grond waarvan het vermoeden bestond dat appellante niet op het door haar opgegeven adres verbleef, heeft een bijzonder controleur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst “Oldambt”, onderdeel van het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Noord & Oost Groningen (sociale recherche), een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dit kader is dossieronderzoek verricht, informatie ingewonnen bij instanties, onderzoek verricht op de internetsite Hyves.nl, zijn registers geraadpleegd, gegevens opgevraagd over het water- en elektriciteitsverbruik op het adres van appellante, en heeft op 20 juli 2009 een huisbezoek plaatsgevonden aan dat adres. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 25 september 2009. De sociale recherche heeft het onderzoek voortgezet. In dat kader hebben in de periode van

24 april 2010 tot en met 10 augustus 2010 waarnemingen plaatsgevonden aan het adres van appellante, zijn bewoners uit de omgeving van dat adres en uit de omgeving van het uitkeringsadres gehoord, een vriendin van appellante, [vriendin van appellante] en de ouders van [vriendin van appellante] als getuigen gehoord, en appellanten als verdachten verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 september 2010.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

25 oktober 2010 de bijstand van appellant met ingang van 30 mei 2007 in te trekken en de over de periode van 30 mei 2007 tot en met 31 juli 2010 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 49.460,75 van appellant terug te vorderen. Voorts heeft het college bij besluit van 25 oktober 2010 de gemaakte kosten van bijstand medeteruggevorderd van appellante. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant heeft verzwegen dat hij ten tijde hier van belang met appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd in zijn woning op het uitkeringsadres.

1.4.

Bij afzonderlijke besluiten van 23 mei 2011 heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 25 oktober 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de anonieme verklaringen van de bewoners uit de omgeving van de woning van appellante en het uitkeringsadres niet als bewijs kunnen worden aanvaard, maar dat de overige onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor de conclusie dat appellant een gezamenlijke huishouding met appellante heeft gevoerd op zijn adres.

3.

In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben onder andere aangevoerd dat, ofschoon appellante vanwege de kinderen regelmatig bij appellant kwam, onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat appellante in de periode van belang haar hoofdverblijf in de woning van appellant heeft gehad.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding ligt allereerst de vraag voor of er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellanten in de hier door de bestuursrechter te beoordelen periode, die loopt van 30 mei 2007 tot en met 25 oktober 2010, een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd op het uitkeringsadres.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit. Daarbij is het aan het college om de nodige kennis omtrent de concrete feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om te bewijzen dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust. Het ligt daarom op de weg van het college om aannemelijk te maken dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerde met appellante op het uitkeringsadres.

4.3.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren.

4.4.

Vaststaat dat uit de relatie tussen appellanten twee kinderen zijn geboren. Voor de beantwoording van de vraag of gedurende de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding is daarom bepalend of appellanten hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.5.

Appellanten stonden ten tijde hier van belang ingeschreven op verschillende woonadressen. Het aanhouden van afzonderlijke woonadressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.6.

Ter zitting van de Raad is vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat voor het vaststellen van het door appellanten betwiste gezamenlijke hoofdverblijf geen betekenis toekomt aan de anoniem afgelegde verklaringen van de bewoners uit de omgeving van adres van appellante en van het uitkeringsadres. Wel is in geschil of voldoende feitelijke grondslag voor de bestreden besluiten is gelegen in de tweede verklaring van getuige [vriendin van appellante], bezien in samenhang met de verklaring van appellante. Aan de verklaring van [vriendin van appellante] komt echter niet die betekenis toe die het college daaraan heeft toegekend, omdat deze verklaring geen concrete feiten en omstandigheden bevat voor de vaststelling dat appellanten in de te beoordelen periode op het uitkeringsadres gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad. [vriendin van appellante] heeft verklaard dat appellanten samenwonen in [woonplaats appellant], dat zij niet weet hoe lang zij samenwonen en hoe hun relatie precies in elkaar zit. Concrete waarnemingen van [vriendin van appellante] waaruit blijkt dat appellante daadwerkelijk woonde op het uitkeringsadres zijn in de verklaring van [vriendin van appellante] niet voorhanden. Dat appellante vaak bij appellant was, is niet in geschil. Dat heeft appellante immers verklaard, met als toelichting dat appellanten samen kinderen hebben die bij appellant wonen. Die frequente aanwezigheid rechtvaardigt echter nog niet de conclusie dat appellante daar ook haar hoofdverblijf had.

4.7.

Het standpunt van het college wordt ook niet ondersteund door andere onderzoeksbevindingen. De in 1.2 aangehaalde onderzoeksbevindingen, zoals het water- en elektriciteitsverbruik van de woning van appellante en het aan haar adres afgelegde huisbezoek, bieden weliswaar aanknopingspunten voor het standpunt dat appellante wellicht niet gedurende de gehele periode hier van belang op dat adres heeft gewoond, maar het vermoeden dat appellante feitelijk niet woonde op het adres waar zij stond ingeschreven, geeft geen uitsluitsel over de vraag waar zij dan wel verbleef. Het had daarom op de weg van het college gelegen om nader onderzoek te doen en - bijvoorbeeld - een huisbezoek aan het uitkeringsadres af te leggen om nadere informatie over de woon- en leefsituatie van appellant te verkrijgen. Nu dit niet is gebeurd, slaagt de beroepsgrond van appellanten dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellanten in deze periode beiden hun hoofdverblijf in de woning op het uitkeringsadres hebben gehad.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat gedurende de periode in geding sprake is geweest van een gezamenlijk hoofdverblijf. Daarom behoeven de overige beroepsgronden van appellanten geen bespreking meer.

4.9.

Hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.8 betekent dat grondslag ontbreekt voor de intrekking en terugvordering van de bijstand van appellant over de te beoordelen periode en, hiermee samenhangend, dat evenmin een toereikende basis bestond voor medeterugvordering van de kosten van bijstand van appellante. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad de beroepen tegen de besluiten van 23 mei 2011 gegrond verklaren en die besluiten vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de besluiten van 25 oktober 2010 te herroepen nu die besluiten op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berusten en niet aannemelijk is, zoals door het college ter zitting ook is erkend, dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden voor appellant begroot op € 944,-- in bezwaar, € 944,-- in beroep en € 472,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Voor appellante worden de kosten begroot op € 944,-- in bezwaar € 944,-- in beroep en € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de besluiten van 23 mei 2011;

  • -

    herroept de besluiten van 25 oktober 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de besluiten van 23 mei 2011;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.360,-- en in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.832,--;

  • -

    bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- aan hem vergoedt en dat het college het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van eveneens in totaal € 153,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A.M. Overbeeke en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) V.C. Hartkamp

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

ew