Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:736

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
27-06-2013
Zaaknummer
12-676 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van seksuele alternatieve relatietherapie (SAR). Niet aannemelijk gemaakt dat het volgen van SAR voor appellant medisch noodzakelijk is. Uit de stukken komt weliswaar naar voren dat het volgen van SAR bijdraagt aan het geestelijk welzijn van appellant, maar van een medische noodzaak daarvoor blijkt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/676 WWB

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2011, 11/340 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Akkas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Akkas. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 15 september 2010 een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor de kosten van seksuele alternatieve relatietherapie (SAR) ingediend.

1.2.

Op 19 oktober 2010 heeft de GGD Amsterdam het college geadviseerd de aanvraag af te wijzen omdat appellant al meer dan de maximale vergoeding uit de Regeling Chronisch Zieken ontvangt, er derhalve geen ruimte meer is voor verdere verhoging van het bedrag en bovendien SAR geen onderdeel meer vormt van de Regeling Chronisch Zieken.

1.3.

Bij besluit van 26 oktober 2010 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat de kosten waarop de aanvraag ziet geen noodzakelijke bestaanskosten zijn.

1.4.

Bij besluit van 30 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2010 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat ook in bezwaar de (medische) noodzaak van de kosten voor SAR niet is komen vast te staan.

2.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.1.

De rechtbank heeft psychiater drs. M.R. Weeda (Weeda) benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Weeda heeft op 5 augustus 2011 rapport uitgebracht van haar onderzoek. Beide partijen hebben een reactie gegeven op het rapport van Weeda.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd omdat het college het advies van de GGD Amsterdam niet had mogen overnemen en niet aan het bestreden besluit ten grondslag had kunnen leggen omdat dat advies geen antwoord geeft op de vraag of er voor appellant een dringende medische reden is om SAR te krijgen en evenmin inzichtelijk is waarom geadviseerd wordt om de aanvraag af te wijzen. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigende besluit in stand gelaten omdat de bevindingen en de conclusie van Weeda genoegzaam de vraag beantwoorden of er een dringende medische noodzaak is voor appellant om SAR te krijgen. Op grond van de conclusie van Weeda is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van een individuele medische noodzaak voor SAR.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

3.1.

Appellant heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat Weeda een oordeel heeft gegeven zonder dat zij appellant heeft gezien, als gevolg waarvan Weeda geen antwoord heeft kunnen geven op de vraag of SAR in het geval van appellant wel noodzakelijk is.

3.2.

In de tweede plaats heeft appellant aangevoerd dat Weeda haar bevindingen en conclusies niet op inzichtelijke wijze en naar behoren heeft gemotiveerd, nu zij de mening van de medische behandelaars van appellant niet heeft meegewogen in haar rapport. Uit diens brief van 24 januari 2012 blijkt dat J. Smits (Smits), de appellant behandelend sociaal psychiatrisch verpleegkundige van GGZ inGeest, zich niet kan vinden in de conclusie van Weeda.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de WWB niet van toepassing zijn.

4.2.

Bij aanvragen om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB dient allereerst te worden vastgesteld of sprake is van noodzakelijke kosten. Gelet op hetgeen partijen verdeeld houdt, ligt in dit geding de vraag voor of er voor appellant een medische noodzaak bestond voor het volgen van SAR.

4.3.

Weeda heeft in opdracht van de rechtbank onderzoek gedaan naar het antwoord op de vraag of het volgen van SAR voor appellant medisch noodzakelijk is. Dit onderzoek heeft bestaan uit het bestuderen van relevante informatie uit de stukken en psychiatrisch onderzoek. In dat kader heeft Weeda onder meer kennisgenomen van het advies van de GGD Amsterdam, van correspondentie tussen de gemeente en appellant en van een brief van GGZ inGeest van 10 maart 2010 en heeft zij telefonisch contact gehad met Smits. Psychiatrisch onderzoek in de vorm van het afnemen van een biografie en speciale anamnese, alsmede het klinisch onderzoek van appellant, heeft niet kunnen plaatsvinden omdat appellant op de gemaakte afspraak, waarvoor hij zowel telefonisch als schriftelijk was uitgenodigd, zonder tegenbericht niet was verschenen. In het rapport van Weeda staat vermeld dat appellant in een telefoongesprek met Weeda te kennen heeft gegeven akkoord te zijn met het opnemen van de door zijn psychiater verstrekte informatie, dat hij afzag van een eventuele nabespreking en dat hij begreep dat geen sprake kon zijn van een volledig onderzoek. Weeda heeft appellant toen meegedeeld dat zij wel een algemene uitspraak ten aanzien van de medische noodzaak van SAR zou kunnen doen.

4.4.

Appellant heeft weliswaar gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van de afspraak in een zware depressie verkeerde en dat, als gevolg van een miscommunicatie in het na de afspraak gevoerde telefoongesprek, Weeda het onderzoek heeft afgesloten zonder hem in persoon te zien. Weeda heeft in haar rapport gedetailleerd weergegeven wat appellant in dat telefoongesprek heeft gezegd. Zo gaf appellant onder meer duidelijk aan dat hij “eigenlijk” verder wilde afzien van “de hele zaak”. Ook zei hij te snappen dat het consequenties zou hebben als hij aan het onderzoek niet mee zou werken; toch wilde hij geen nieuw afspraak, hetgeen hij verder niet had toegelicht. Appellant heeft in hoger beroep weliswaar herhaald dat het niet zijn bedoeling was dat het onderzoek werd afgesloten zonder hem persoonlijk te zien, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de in het rapport van Weeda opgenomen weergave van het gevoerde telefoongesprek onjuist is. De door appellant in beroep overgelegde verklaring van zijn zwager, die aanwezig was toen appellant het telefoongesprek voerde, is daarvoor onvoldoende, reeds gelet op de algemene bewoordingen waarin die verklaring is gesteld. Voorts heeft appellant zijn stelling dat hij ten tijde van de afspraak in een zware depressie verkeerde niet met medische stukken onderbouwd. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat Weeda onzorgvuldig heeft gehandeld door het onderzoek af te sluiten zonder appellant te hebben gezien en in haar rapport een oordeel te geven over hoe in het algemeen wordt aangekeken tegen SAR. De beroepsgrond vermeld in 3.1 treft daarom geen doel.

4.5.

Op basis van het door haar verrichte onderzoek, heeft Weeda de door de rechtbank gestelde vraag als volgt beantwoord: “Gezien de grote beperkingen van het onderzoek, kan de gestelde vraag niet zonder voorbehoud beantwoord worden. Wel kan het volgende worden gesteld. SAR, zoals in dit onderzoek en door betrokkene bedoeld, is geen therapie in de engere zin van het woord. Aangezien het bovendien geen betrekking heeft op enige relatie kan formeel evenmin van een relatietherapie worden gesproken. Voor zover het onderzoeker volledig duidelijk is geworden betreft het feitelijk een seksuele dienstverlening, aangeboden aan mensen met een lichamelijke en/of psychische handicap. […] Ook zonder appellant zelf onderzocht te hebben en zonder derhalve een eigen diagnostiek te hebben verricht, kan in het algemeen worden gesteld dat SAR geen wetenschappelijk onderbouwde therapie is. Niet voor psychotische stoornissen, niet voor stemmingsstoornissen of persoonlijkheidsproblematiek. Er bestaat geen wetenschappelijke evidentie voor de werkzaamheid van SAR, evenmin maakt SAR deel uit van de beschikbare behandellijnen die voor de verschillende psychiatrische stoornissen bestaan en door de beroepsgroep onderschreven worden. In die zin kan dus, in het algemeen, niet gesproken worden van medische noodzakelijkheid vanuit psychiatrisch oogpunt. Dit laat uiteraard onverlet dat seksualiteit stressverlagend kan werken, overigens, evenals dat het in voorkomende gevallen juist een tegengesteld (stressverhogend) effect zou kunnen hebben.”

4.6.

Uit het rapport van Weeda komt naar voren dat zij zich rekenschap heeft gegeven van de mening van de behandelaars van appellant. Smits geeft in zijn brief van 24 januari 2012 weliswaar te kennen dat Weeda hem onvolledig en hier en daar foutief citeert of parafraseert, maar hij stelt niet dat Weeda haar rapport met betrekking tot de problematiek van appellant op onjuiste gegevens heeft gebaseerd. Dat Smits SAR ziet als een van de interventies die er voor zorgen dat het leven van appellant leefbaar is en blijft en hij een interventie als SAR even goed werkzaam acht als het verstrekken van medicatie of het voeren van gesprekken, doet geen afbreuk aan het rapport van Weeda. Daarmee is immers niet aannemelijk gemaakt dat het volgen van SAR voor appellant medisch noodzakelijk is. Ook anderszins heeft appellant dit niet aannemelijk gemaakt, wat wel op zijn weg had gelegen aangezien het hier een aanvraagsituatie betreft. Uit de stukken komt weliswaar naar voren dat het volgen van SAR bijdraagt aan het geestelijk welzijn van appellant, maar van een medische noodzaak daarvoor blijkt niet. De beroepsgrond vermeld in 3.2 treft daarom evenmin doel.

4.7.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2013.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) T.A. Meijering

RB