Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:728

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
13-345 WSFBSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 november 2011 terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat het buiten de bezwaartermijn van zes weken is ingediend. Geen verschoonbare termijnoverschrijding. Appellante heeft in de bezwaarfase wisselende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de reden waarom haar bezwaarschrift te laat is ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

13/345 WSFBSF

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

3 december 2012, 12/4225 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2013. Voor appellante is verschenen mr. Nieuwstraten. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Bij formulier van 21 juli 2011 heeft appellante studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 aangevraagd voor haar opleiding Russische taalwetenschappen in Turkije.

1.3. Bij besluit van 25 november 2011 heeft de minister deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante in de zes jaar voorafgaand aan de gewenste aanvang van de studiefinanciering niet tenminste drie jaar legaal in Nederland heeft gewoond.

1.4. Op 27 februari 2012 heeft appellante een bezwaarschrift tegen het besluit van

25 november 2011 ingediend. Bij brief van 21 maart 2012 heeft de minister appellante verzocht aan te geven waarom haar bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. Appellante heeft daarop verklaard dat zij het besluit van 25 november 2011 niet tijdig heeft gezien, doordat zij zich voor haar studie in het buitenland bevond. Voorts heeft appellante aangegeven dat haar bezwaarschrift was bezorgd bij de buren die zelden thuis zijn. Nadat zij het besluit van

25 november 2011 uiteindelijk in handen kreeg bleek de bezwaartermijn verstreken.

1.5. Bij besluit van 12 april 2012 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 november 2011 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het buiten de bezwaartermijn van zes weken is ingediend. In hetgeen appellante als reden voor de overschrijding van de bezwaartermijn heeft aangevoerd ziet de minister geen aanleiding de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de omstandigheden die appellante als reden voor de overschrijding van de bezwaartermijn heeft aangevoerd niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een situatie bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat als zij in het buitenland verblijft haar moeder de postafhandeling co├Ârdineert. Het besluit van 25 november 2011 is echter bij de buurman bezorgd, die in die periode gedurende enkele maanden in het buitenland verbleef. Na zijn terugkomst heeft hij de bij hem bezorgde post in het portiek gezet, waardoor appellante pas in februari 2012 van het besluit kennis heeft genomen.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister het bezwaarschrift van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Appellante heeft in de bezwaarfase wisselende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de reden waarom haar bezwaarschrift te laat is ingediend. Al op die grond kan de Raad aan deze verklaringen niet de door appellante gewenste betekenis toekennen. Het is volstrekt onduidelijk gebleven tot wanneer appellante in het buitenland verbleef en welke rol haar moeder precies heeft vervuld bij de afhandeling van het bezwaar tegen het besluit van 25 november 2011. De rechtbank heeft appellante nog in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van het feit dat het besluit van

25 november 2011 verkeerd is bezorgd en dat haar bezwaarschrift daardoor te laat is ingediend. Ook de Raad is van oordeel dat de overgelegde verklaring van de buurman onvoldoende is om de stelling van appellante, dat zij het besluit van 25 november 2011 uiteindelijk pas in februari 2012 in het portiek heeft gevonden, aannemelijk te maken.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H.J. de Mooij en

I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013.

(getekend) J. Brand

(getekend) M.R. Schuurman

IvR