Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:716

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
01-07-2013
Zaaknummer
11-5713 WW-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering WW-uitkering. Verwijtbaar werkloos? Geen dringende reden voor ontslag op staande voet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/5713 WW-T

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

18 augustus 2011, 10/5214 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.A. Visser, advocaat, hoger beroep ingesteld. Op verzoek van de Raad heeft appellant nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2013. Namens appellant is

mr. Visser verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is als autobuschauffeur werkzaam geweest in dienst van[werkgeefster] (werkgeefster). In een gesprek op 14 januari 2010 heeft werkgeefster appellant te kennen gegeven voornemens te zijn het dienstverband met hem te beëindigen. Zij heeft hem in verband daarmee met onmiddellijke ingang geschorst. Met een brief van 9 februari 2010 heeft werkgeefster Uwv Werkbedrijf verzocht haar toestemming te verlenen om de arbeidsovereenkomst met appellant op te zeggen. Deze toestemming is op 31 maart 2010 verleend. Met een brief van diezelfde datum heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 juni 2010.

1.2. Appellant heeft een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 25 juni 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 1 juni 2010 niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering, omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Volgens het Uwv ligt aan zijn ontslag een dringende reden ten grondslag.

1.3. Appellant heeft tegen het besluit van 25 juni 2010 bezwaar gemaakt. Bij besluit van

11 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit van 25 juni 2010 gehandhaafd. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant ontoelaatbaar gedrag heeft vertoond onder meer door zich herhaaldelijk beledigend tegen en over zijn leidinggevenden te uiten. De gedragingen kwalificeren volgens het Uwv als een dringende reden voor ontslag; de persoonlijke omstandigheden van appellant, waaronder zijn gezondheidstoestand, doen daaraan niet af.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant, nadat hij in 2008 in verband met zijn beledigende uitingen was gewaarschuwd, met door hem in december 2009 verzonden e-mailberichten opnieuw de grens van het toelaatbare heeft overschreden, zodat voor hem voorzienbaar moest zijn dat zijn gedrag ingrijpende rechtspositionele gevolgen zou kunnen hebben. Volgens de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden ten grondslag ligt en dat een WW-uitkering blijvend geheel aan hem moet worden geweigerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat appellant zijn gedrag in verminderde mate kan worden verweten.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat aan zijn werkloosheid geen dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ten grondslag ligt. Hij heeft de door de rechtbank als vaststaand aangenomen voorvallen betwist en verder gewezen op het tijdsverloop tussen deze voorvallen en zijn ontslag. Werkgeefster heeft aan het ontslag van appellant een verstoorde arbeidsverhouding ten grondslag gelegd. Volgens appellant is hetgeen tussen hem en werkgeefster is voorgevallen niet te benoemen als een dringende reden, in objectieve noch in subjectieve zin.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

Werkgeefster heeft aan de ontslagaanvraag ten grondslag gelegd dat de arbeidsrelatie met appellant ernstig en duurzaam is verstoord. In haar brief aan Uwv Werkbedrijf van

9 februari 2010 heeft zij een overzicht gegeven van uitingen van appellant op een weblog en in e-mailberichten in de periode van december 2006 tot en met januari 2010. De door appellant vervaardigde teksten bevatten kwetsende en beledigende opmerkingen over zijn leidinggevenden. Werkgeefster heeft appellant verschillende malen erop gewezen dat hij dergelijke opmerkingen achterwege dient te laten. Er zijn verder problemen met appellant geweest over het dragen van de tot de bedrijfskleding behorende stropdas in december 2007 en over duwen en bedreigen van een sectiechef in februari 2008. In het gesprek met appellant op 14 januari 2010 heeft werkgeefster kenbaar gemaakt dat zij de procedure om te komen tot beëindiging van het dienstverband met appellant in gang zet omdat voor haar “de maat vol is”.

Appellant is vervolgens geschorst.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak is voor de vraag of de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden op de a-grond van artikel 24, tweede lid, van de WW, niet bepalend welke route de werkgever heeft gevolgd om de arbeidsovereenkomst met de werknemer te doen eindigen, maar uitsluitend de ontslagreden (CRvB 18 februari 2009, LJN BH2387). Het Uwv heeft ter zitting bevestigd dat voor zijn conclusie dat appellant op 1 juni 2010 verwijtbaar werkloos is geworden een bevestigende beantwoording nodig is van de vraag of werkgeefster appellant op 9 februari 2010 op staande voet zou kunnen hebben ontslaan.

4.4.

Appellant heeft betwist dat in december 2007 sprake is geweest van een weigering om de stropdas te dragen en hij heeft ook een andere visie gegeven op het incident met de sectiechef in februari 2008. Niet in geschil is dat alle berichten op het weblog en de e-mailberichten, die werkgeefster in de ontslagaanvraag heeft weergegeven, van appellant afkomstig zijn.

4.5.

Werkgeefster heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant zich op ongepaste wijze heeft geuit. Zij heeft appellant verschillende malen gewaarschuwd, hem verboden nog langer actief te zijn op het weblog en hem de aanwijzing gegeven dat hij zich voor het luchten van zijn hart moet beperken tot het verzenden van e-mailberichten, maar zij heeft ook gedurende een reeks van jaren geaccepteerd dat appellant zich bij tijd en wijlen opnieuw kwetsend en beledigend over zijn leidinggevenden heeft uitgelaten.

4.6.

Om aan te kunnen nemen dat er op 9 februari 2010 een dringende reden was voor een onverwijlde opzegging van het dienstverband is niet toereikend dat sprake is geweest van langdurig onacceptabel gedrag van appellant, maar moet worden vastgesteld dat hij zich ook kort voordien, althans voor zijn schorsing, zodanig heeft gedragen dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijze niet meer van werkgeefster kon worden gevergd. In dat licht bezien is niet van belang of met betrekking tot de weigering een stropdas te dragen en het incident met de sectiechef het gelijk aan de zijde van werkgeefster of appellant is. Het gaat erom of appellant met de uitingen in zijn meest recente e-mailberichten de grens van het toelaatbare heeft overschreden.

4.7.

Uit het bij de ontslagaanvraag gegeven overzicht blijkt dat appellant zich op

11 december 2009 in een e-mailbericht aan zijn verzuimcoördinator en op 14 december 2009 in een e-mailbericht aan een directeur van werkgeefster beledigend heeft uitgedrukt door te schrijven over “jij met die bolle maat van je” en “alleen maar Nono’s op de Kleiweg”. Voor zover kennis kan worden genomen van de verdere inhoud van deze e-mailberichten, is de toonzetting ongenuanceerd en getuigt de tekst ervan niet van een loyale opstelling van appellant, maar is van meer beledigende uitdrukkingen geen sprake. Ook andere

e-mailberichten, die appellant in de maand december 2009 aan zijn leidinggevenden heeft verzonden, zijn onprettig en ongepast getoonzet, maar bevatten geen uitingen die kwetsend of beledigend kunnen worden genoemd.

4.8.

Van het gebruik van de in 4.7 aangehaalde woorden in de e-mailberichten van

11

en 14 december 2009 kan niet worden gezegd dat deze ieder voor zich dan wel in samenhang een objectieve dringende reden voor ontslag opleveren. Werkgeefster had na de ontvangst van alle e-mailberichten die zij in december 2009 van appellant had ontvangen, gelet op het feit dat appellant zijn ongepaste gedrag na vele waarschuwingen had voortgezet, alle reden om beëindiging van het dienstverband met hem na te streven, maar voor een ontslag op staande voet ontbrak een toereikende grond. Uit het oordeel dat de gedragingen van appellant, waarop het Uwv het bestreden besluit heeft gebaseerd, niet kwalificeren als een dringende reden in objectieve zin volgt dat hetgeen partijen naar voren hebben gebracht met betrekking tot de dringende reden in subjectieve zin en de persoonlijke omstandigheden van appellant onbesproken kan blijven.

4.9.

Het Uwv heeft aan appellant ten onrechte WW-uitkering geweigerd op de grond dat aan zijn werkloosheid een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW ten grondslag ligt. Van verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is geen sprake. Het bestreden besluit mist dus een deugdelijke motivering.

4.10.

Omdat voor de bepaling van het recht van appellant op een WW-uitkering met ingang van 1 juni 2010 diverse gegevens nodig zijn waarover de Raad niet beschikt, kan hij niet zelf in de zaak voorzien. Het Uwv zal daarom met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet worden opgedragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 11 november 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M. Greebe en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) K.E. Haan

QH