Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:710

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
11-6663
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering blijvend geheel geweigerd. Verwijtbare werkloosheid. Appellant heeft een collega heeft geslagen. Dat incident was voor de werkgever aanleiding om appellant te schorsen en uit eindelijk na verkrijgen van een ontslagvergunning te ontslaan. In de leeftijd, de duur van het dienstverband en de mogelijke gevolgen van een ontslag op staande voet, waaronder de kans dat appellant er niet in zou slagen om andere arbeid te verwerven, zijn gelet op de aard en de ernst van het incident, evenmin redenen gelegen om aan te nemen dat werkgever het dienstverband met appellant niet op grond van een dringende reden onverwijld had kunnen opzeggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/6663 WW

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 oktober 2011, 11/147 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Vlieger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant is sinds 19 juni 2001 in dienst geweest van[werkgever] B.V. (werkgever) als schoonmaker, laatstelijk voor 38 uur per week. Nadat appellant van zijn werkgever eerder schriftelijke waarschuwingen over zijn gedrag had ontvangen, heeft op 15 oktober 2009 een incident op het werk plaatsgevonden waarbij appellant een collega heeft geslagen. Dat incident was voor de werkgever aanleiding om appellant te schorsen. Nadat op

26 oktober 2009 een gesprek met appellant heeft plaatsgevonden, heeft de werkgever op

29 oktober 2009, binnengekomen bij het Uwv op 4 november 2009, een aanvraag voor een ontslagvergunning ingediend. Nadat het Uwv daartoe op 16 december 2009 toestemming had verleend, heeft de werkgever op 22 december 2009, met inachtneming van de geldende opzegtermijn, de arbeidsovereenkomst met appellant met ingang van 10 mei 2010 opgezegd.

2.1.

Appellant heeft op 7 juli 2010 een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 29 juli 2010 heeft het Uwv die uitkering per

10 mei 2010 blijvend geheel geweigerd onder de overweging dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

2.2.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 29 juli 2010, welk bezwaar bij besluit van 30 november 2010 (bestreden besluit) ongegrond is verklaard. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat appellant, ondanks dat hij voldoende op de hoogte was van de consequenties van zijn gedragingen, zijn gedrag niet heeft aangepast, wat de reden is geweest om hem te schorsen zodat verder onderzoek kon worden gedaan. Toen de uitkomsten van dit onderzoek bekend waren is op 4 november 2009 een ontslagvergunning aangevraagd. Het feit dat appellant niet op staande voet is ontslagen doet niet af aan het feit dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld. Volgens het Uwv heeft de werkgever niet onnodig getreuzeld met de beƫindiging van de dienstbetrekking.

3.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak is dat beroep ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van

18 februari 2009 (met name LJN BH2387), heeft de rechtbank geoordeeld dat de gedragingen van appellant in onderlinge samenhang een objectief dringende reden voor beƫindiging van de arbeidsovereenkomst opleveren. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gedragingen van appellant voor deze werkgever ook subjectief een dringende reden voor een ontslag op staande voet opleveren. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de door de werkgever gezette stappen en het tijdsverloop tussen het incident van 15 oktober 2009 en de aanvraag om de ontslagvergunning van 29 oktober 2009, ontvangen door het Uwv op 4 november 2009. De wijze waarop appellant heeft gefunctioneerd en de overige persoonlijke omstandigheden van appellant waren naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat appellant door het ontslag onevenredig wordt getroffen. Ten slotte is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellant van zijn gedrag een verwijt kan worden gemaakt en dat het niet nakomen van de verplichting om niet verwijtbaar werkloos te worden hem in overwegende mate kan worden verweten.

4.

De stellingen van appellant in hoger beroep komen erop neer dat aan zijn werkloosheid geen dringende reden ten grondslag ligt. Volgens hem blijkt uit het verstrijken van een periode van drie weken tussen de verweten gedraging en de aanvraag van de ontslagvergunning dat de subjectieve dringendheid daaraan ontbreekt. Hij heeft verder gewezen op de gevolgen van het ontslag, omdat hij daarna geen nieuwe arbeid meer kunnen verkrijgen.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Voor het wettelijk kader en de wijze van toetsing daarvan wordt verwezen naar de onderdelen 2.1, 3.1 en 3.2 van de aangevallen uitspraak.

5.2.

Appellant betwist niet langer dat de gedragingen van 15 oktober 2009 op zich een objectieve reden vormden voor een ontslag op staande voet. Daarmee resteren de vragen of er ook sprake is van subjectieve dringendheid en of de persoonlijke omstandigheden van appellant aan de dringendheid van de ontslagreden afdoen.

5.3.1.

Uit de voortvarendheid waarmee de werkgever heeft gehandeld na het incident van

15 oktober 2009 vloeit niet voort dat de dringendheid aan het ontslag is komen te ontvallen. Appellant is onmiddellijk na het incident geschorst en er is naar aanleiding van het incident door de werkgever een onderzoek uitgevoerd in het kader waarvan door de werkgever met appellant een gesprek is gevoerd. Voor het eerste gesprek, dat de werkgever had bepaald op

22 oktober 2009, is appellant niet verschenen. Voor het tweede gesprek op 26 oktober 2009 is appellant wel verschenen. De gegevens uit dat gesprek leidden tot een aanvraag om een ontslagvergunning, die op 4 november 2009 door het Uwv is ontvangen. Binnen een week na de ontvangst van de ontslagvergunning heeft de werkgever daarvan gebruik gemaakt en tegen de eerst mogelijke datum opgezegd.

5.3.2.

In de leeftijd, de duur van het dienstverband en de mogelijke gevolgen van een ontslag op staande voet, waaronder de kans dat appellant er niet in zou slagen om andere arbeid te verwerven, zijn gelet op de aard en de ernst van de gedraging van 15 oktober 2009, evenmin redenen gelegen om aan te nemen dat werkgever het dienstverband met appellant niet op grond van een dringende reden onverwijld had kunnen opzeggen.

5.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal bevestigd worden.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M. Greebe en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) K.E. Haan

QH