Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:703

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
27-06-2013
Zaaknummer
11-7002 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de bevindingen en conclusies van de door de Raad ingeschakelde deskundige heeft de rechtbank ten onrechte het Uwv opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van een urenbeperking van 25 uur per week. Op dit punt is de aangevallen uitspraak onjuist. Het Uwv dient een nader besluit te nemen, uitgaande van de (…) vastgestelde aanvullende beperkingen ten aanzien van blootstelling aan grote temperatuurverschillen, ten aanzien van arbeidsplaatsen met een verhoogde kans op viraal/bacterieel contact en ten aanzien van de maximale urenomvang van 4 uur per dag en 20 uur per week.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/7002 WAO, 11/7017 WAO

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

28 oktober 2011, 08/1457 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Reith, werkzaam bij Klaverblad Rechtsbijstand Stichting, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Reith. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.E.J.P.M. Rutten.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De Raad heeft als deskundige prof. dr. L. Abraham-Inpijn, internist, benoemd voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft over de gezondheidstoestand van appellant gerapporteerd op 23 augustus 2012. Partijen hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport ingezonden.

De deskundige heeft hierop aanvullend gerapporteerd op 9 oktober 2012.

Hierop hebben beide partijen gereageerd.



Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

Aan appellant is sinds september 2000 een volledige uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend in verband met acute leukemie (AML). Bij besluit van 1 oktober 2007 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 35 tot 45% en de WAO-uitkering van appellant met ingang van

29 november 2007 herzien. Aan dit besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen, waaronder een urenbeperking tot 40 uur per week, geschikt is voor het vervullen van passende functies. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 maart 2008 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft ten behoeve van haar oordeelsvorming dr. M.E.P. Smeets, internist-hematoloog, geraadpleegd. In haar rapport van 21 november 2010 en haar aanvullende rapport van 30 mei 2011 heeft deze deskundige - samengevat - geconcludeerd dat er ten tijde van de datum in geding bij appellant sprake was van een belangrijke beperking van de werkbelastbaarheid tot enkele uren per dag in verband met vermoeidheidsklachten ten gevolge van de intensieve behandeling van de ziekte leukemie. De rechtbank acht, gelet op de brief van Smeets van 30 mei 2011, een urenbeperking van 25 uur per week aangewezen en heeft daarom het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van een urenbeperking van 25 uur.



3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte een urenbeperking van 25 uur heeft vastgesteld naar aanleiding van de rapporten van Smeets. Uit het rapport van Smeets van 21 november 2010 valt naar de mening van appellant op te maken dat hij zeer wisselend belastbaar is en zijn eigen huishouding niet volledig kan doen en dat zijn conditie niet verbetert door training, hetgeen een volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden rechtvaardigt. Als subsidiaire grond heeft appellant aangevoerd dat hij maximaal 2 tot 3 uur per dag belastbaar is, en alleen overdag. De vermoeidheid hangt ook samen met recidiverende luchtweginfecties, waarvan hij in Nederland meer last heeft dan in Brazilië ten gevolge van het klimaat. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij het vaststellen van de medische belastbaarheid.

3.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd dat er in het onderhavige geval sprake is van een bijzondere omstandigheid die een afwijking rechtvaardigt van de hoofdregel dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. De bevindingen van Smeets zijn innerlijk tegenstrijdig nu deze geen objectieve afwijkingen vast heeft gesteld bij lichamelijk onderzoek maar vervolgens wel een urenbeperking heeft vastgesteld. De rechtbank is ten onrechte voorbijgegaan aan de in eerste aanleg ingediende rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 7 januari 2011. Verder acht het Uwv de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de urenbeperking van 25 uur onvoldoende gemotiveerd nu de deskundige geen melding maakt van een urenbeperking van 25 uur. Tenslotte heeft het Uwv aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het Uwv heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij dient te worden uitgegaan van een urenbeperking van 25 uur. De rechtbank is hierbij ten onrechte vooruitgelopen op de inhoud van de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing.

4.1.

Zoals vermeld onder de rubriek Procesverloop heeft de Raad aanleiding gezien om appellant te doen onderzoeken door een onafhankelijk deskundige. Prof. dr. L. Abraham-Inpijn heeft appellant op verzoek van de Raad onderzocht op 5 juli 2012. Bij rapport van

23 augustus 2012 heeft deze deskundige verslag uitgebracht van haar bevindingen en conclusies en de haar voorgelegde vragen beantwoord.

4.2.

Abraham-Inpijn is, kort samengevat, tot de volgende conclusies gekomen. Zij heeft overwogen dat appellant (vermoeidheids-)klachten heeft na intensieve chemotherapie, aangevuld met totale lichaamsbestraling en allogene beenmergtransplantatie. Het is algemeen bekend dat de “quality of life” na een dergelijke behandeling bij veel patiënten afneemt. Hoewel evidence based onderzoek ontbreekt, blijkt uit de literatuur dat in 80 tot 90% van de gevallen na hematogene transplantatie een verbetering wordt gezien, voornamelijk in de eerste 4 jaren na behandeling, mits vanaf het ontslag een fysiek en psychologisch steuntraject wordt doorlopen. In 10 tot 20% van de gevallen blijven klachten bestaan en wordt volledige werkhervatting niet bereikt. Een objectieve maat voor de spiermassa is het plasma kreatininegehalte, waarbij de normaalwaarde voor een man ligt tussen de 75 en 110 μmol/l. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat het plasma kreatininegehalte bij appellant op

1 augustus 2007 lag op 70 μmol/l, als teken van immobiliteit. In deze conditie lijkt een fulltime werkweek van 40 uur uitgesloten. De deskundige concludeert vervolgens dat appellant ten gevolge van de intensieve behandeling van een Acute Myeloïde Leukemie (AML M1) op de datum in geding, 29 november 2007, minder belastbaar was voor arbeid dan aangenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Zij heeft aanvullende beperkingen vastgesteld ten aanzien van blootstelling aan grote temperatuurverschillen (in verband met de gevoeligheid van de luchtwegen) en ten aanzien van arbeidsplaatsen met een verhoogde kans op viraal/bacterieel contact (in verband met verminderde afweer), terwijl zij voorts de arbeidsbelasting in uren heeft beperkt tot maximaal 4 uur per dag en maximaal 20 uur per week.

4.3.

Naar aanleiding van het rapport van de deskundige van 23 augustus 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts bij rapportage van 11 september 2012 gereageerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft erop gewezen dat appellant geen regulier trainingsprogramma heeft gevolgd en heeft vervolgens de vraag gesteld of uit de literatuur bekend is dan wel de conclusie gerechtvaardigd is dat met het (alsnog) doorlopen van het trainingsprogramma de conditie van appellant dusdanig verbetert dat fulltime werken realiseerbaar is en zo nee, op welke gegevens deze conclusie dan berust.

4.4.

De deskundige heeft bij nader rapport van 9 oktober 2012 de vraag van de bezwaarverzekeringsarts beantwoord. Zij heeft hierbij aangegeven dat in de haar ter beschikking staande literatuur geen voor de vraagstelling relevant evidence based onderzoek voorhanden is. Slechts één studie (Hensel M., Egerer G., Schneeweiss A., Goldschmidt H., Ho AD: Quality of life and rehabiltation in social en professional life after autologous stem cell transplantation, Ann. Oncol. 2002) geeft deels antwoord op de vraag. De conclusie van deze studie is: “Full recovery after Hemotopietic Cell Transplantation for Leukemia or Lymphonia is a 3-5 years process. Recovery might be accelerated by more effective interventions to increase work-related capabilities, improve social support, and manage depression”.

De bedoelde interventies zijn, volgens de deskundige, altijd een combinatie van fysieke training en psychotherapie. Of een gericht rehabilitatieprogramma voor appellant tot volledige werkhervatting zal leiden valt naar het oordeel van de deskundige niet te voorspellen, maar het zal mogelijk wel leiden tot een meer stabiele situatie.


4.5. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierop bij rapportage van 30 november 2012 gereageerd en gesteld dat de conditie van appellant met een gericht rehabiliteitsprogramma zal verbeteren. De bezwaarverzekeringsarts handhaaft het ingenomen standpunt dat er geen reden is voor een structurele, duurzame medische urenbeperking. De deskundige heeft hiervoor geen onderbouwing gegeven, nu de suboptimale kreatininewaarde past bij de (lichte) inspanningsintolerantie waarmee rekening is gehouden in de FML.



5.1. De Raad overweegt dat in zijn vaste rechtspraak besloten ligt dat het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke medische deskundige in beginsel dient te worden gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot het maken van een uitzondering op die regel.

5.2.

Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is niet gebleken. Het door de deskundige Abraham-Inpijn verrichte onderzoek is volledig en zorgvuldig geweest en de conclusies van de deskundige zijn op inzichtelijke en overtuigende wijze onderbouwd. Daarnaast heeft de deskundige, in haar reactie op het rapport van bezwaarverzekeringsarts Van Paridon van 11 september 2012, geconcludeerd dat er nauwelijks wetenschappelijke onderzoeksresultaten zijn ten aanzien van de resultaten van een rehabiliteitsprogramma en dat het enige onderzoek dat enigszins relevant is te achten slechts aanwijzingen geeft dat een gericht oefenprogramma wellicht kan leiden tot verbetering op het gebied van deelname aan de arbeidsmarkt, maar dat zij op basis van dit onderzoek niet kan voorspellen of appellant na deelname aan een dergelijk programma fulltime zal kunnen werken. De deskundige heeft aan de hand van een inzichtelijke en overtuigende argumentatie aannemelijk gemaakt dat voor appellant op de datum in geding een medische urenbeperking van 20 uur per week aangewezen was. De door de bezwaarverzekeringsarts aangevoerde punten doen hieraan niet af nu deze niet zijn voorzien van een objectief medische onderbouwing ten aanzien van de datum in geding en ook anderszins, mede in het licht van de onder 5.1. weergegeven hoofdregel inzake het belang dat toe komt aan het oordeel van een door de bestuursrechter geraadpleegde onafhankelijke medisch deskundige, onvoldoende twijfel oproepen om voorbij te gaan aan de bevindingen en conclusies van de deskundige.

5.3.

Uit overweging 5.2. vloeit voort dat het bestreden besluit een deugdelijke medische onderbouwing ontbeert. Terecht heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd. De overwegingen van de rechtbank die hebben geleid tot vernietiging van het bestreden besluit zijn echter niet juist.

5.4.

Gelet op de bevindingen en conclusies van de door de Raad ingeschakelde deskundige Abraham-Inpijn heeft de rechtbank ten onrechte het Uwv opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van een urenbeperking van 25 uur per week. Op dit punt is de aangevallen uitspraak onjuist. Het Uwv dient een nader besluit te nemen,uitgaande van de door Abraham-Inpijn vastgestelde aanvullende beperkingen ten aanzien van blootstelling aan grote temperatuurverschillen, ten aanzien van arbeidsplaatsen met een verhoogde kans op viraal/bacterieel contact en ten aanzien van de maximale urenomvang van 4 uur per dag en 20 uur per week.

5.5.

Gelet op de overwegingen 5.3 en 5.4. dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd met uitzondering van de bepalingen inzake de proceskosten, het griffierecht en de schadevergoeding. Het beroep dient gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd onder de bepaling dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van het onder 5.4. overwogene.

5.6.

Er zijn termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.652,- wegens verleende rechtsbijstand en op € 27,95 aan reiskosten, in totaal € 1.679,95.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de bepalingen inzake de

proceskosten, het griffierecht en de schadevergoeding;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit neemt met inachtneming van de uitspraak van de

Raad;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1.679,95;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) P. Boer

TM