Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:702

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2013
Datum publicatie
27-06-2013
Zaaknummer
11-1342 WIA
Formele relaties
Uitspraak na rectificatie: ECLI:NL:CRVB:2013:2961
Gerectificeerde uitspraak: ECLI:NL:CRVB:2013:2960
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2013:2961. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2013:2960, onderstaande tekst is niet meer geldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/1342 WIA

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

14 januari 2011, 10/3066 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Naam BV] gevestigd te[vestigingsplaats] (betrokkene)

[A. te B.] (werkneemster)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. I.J.A.J. Hanssen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 december 2012.

Namens appellant is verschenen mr. P.J. Reith. Betrokkene was niet ter zitting vertegenwoordigd.

Het onderzoek is heropend na de zitting, omdat het niet volledig is geweest.

De Raad heeft werkneemster in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord.

Namens werkneemster heeft mr. M.A. van Zeist, rechtshulpverlener bij CNV Vakmensen, zich gesteld als haar gemachtigde en meegedeeld dat zij als partij aan het geding wil deelnemen. Nadien heeft mr. Van Zeist bericht dat werkneemster geen aanvullende informatie over de zaak heeft.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant heeft bij besluit van 25 november 2009 naar aanleiding van de aanvraag van werkneemster om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen aan haar meegedeeld dat naar zijn oordeel betrokkene niet heeft voldaan aan de verplichtingen als werkgeefster met betrekking tot de re-integratie van werkneemster. Om die reden heeft het Uwv de periode dat werkneemster recht had op loon tijdens ziekte verlengd tot

18 januari 2011. Appellant heeft het op 14 juli 2010 verzonden bezwaarschrift van betrokkene tegen dit besluit op die dag ontvangen.

2.1.

Appellant heeft bij besluit van 13 augustus 2010 (bestreden besluit) het bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard, omdat betrokkene het bezwaarschrift te laat heeft ingediend.

2.2.

Appellant heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift in dit geval afliep op 8 januari 2010. Voorts heeft appellant gesteld dat betrokkene als reden voor de te late indiening van het bezwaarschrift heeft vermeld dat zij het besluit van 25 november 2009 evenals een daaraan voorafgaande brief van 10 november 2009 nimmer heeft ontvangen. Volgens betrokkene heeft zij het besluit van

25 november 2009 pas ontvangen op 7 juni 2010 via de gemachtigde van werkneemster. Volgens betrokkene gaat de wettelijke bezwaartermijn pas lopen op de datum van die ontvangst, derhalve op 7 juni 2010 en heeft zij dus tijdig bezwaar gemaakt.

2.3.

Appellant heeft de in 2.2 bedoelde ontkenning van ontvangst van het besluit van

25 november 2009 niet geloofwaardig geacht, omdat ontkenning van de ontvangst van

2

brieven de geloofwaardigheid minder aannemelijk maakt, werkneemster het besluit van

25 november 2009 wel heeft ontvangen en betrokkene conform het besluit van

25 november 2009 heeft gehandeld door het loon aan werkneemster door te betalen.

3.1.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van haar uitspraak. Tevens gaf de rechtbank beslissingen over vergoeding aan betrokkene van griffierecht en proceskosten.

3.2.

De rechtbank heeft aan haar in 3.1 vermelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:

“4. Anders dan verweerder heeft gesteld heeft eiseres de ontvangst van het besluit niet op evident ongeloofwaardige wijze ontkend.

De verzending van het besreden besluit heeft niet per aangetekend post plaatsgevonden. In vaste jurisprudentie is neergelegd dat bij niet-aangetekende verzending of verzending zonder een bevestiging van ontvangst het risico van het niet kunnen aantonen dat het besluit daadwerkelijk (op de desbetreffende dag) is verzonden voor rekening van de afzender komt. Dit sluit echter niet uit dat langs andere weg kan worden aangetoond dat aan de wettelijke voorwaarde voor het aanvangen van de termijn is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval door verweerder niet voldoende aangetoond dat het bestreden besluit ook op

25 november 2009 is verzonden.

Nu eiseres op 7 juni 2010 bekend is geraakt met het besluit is de termijn op dat moment gaan lopen. Eiseres heeft dan ook binnen de termijn bezwaar gemaakt.”.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep op zich erkend dat de brieven van 10 en 25 november 2009 niet aangetekend aan betrokkene zijn verzonden. Om de redenen als vermeld in het bestreden besluit (en samengevat weergegeven in 2.2) handhaaft appellant zijn standpunt dat de ontkenning door betrokkene van de ontvangst van het besluit van 25 november 2009 niet geloofwaardig is. Na heropening van het onderzoek heeft appellant desgevraagd - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 11 juli 2012 (LJN BX1193) - toegelicht wat naar zijn mening de gevolgen van de aangevallen uitspraak zijn voor het kunnen opleggen van een loonsanctie aan betrokkene.

5.

De Raad stelt voorop dat werkneemster, gezien het standpunt van appellant over de gevolgen van de aangevallen uitspraak als bedoeld aan het slot van overweging 4.1, als belanghebbende heeft te gelden bij het bestreden besluit, zodat zij met recht op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht alsnog deelneemt aan het geding in hoger beroep.

5.1.

Indien degene aan wie een besluit mede en niet aangetekend is verzonden stelt dat hij dit besluit niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat ook diegene het besluit op zijn adres heeft ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres worden bezorgd, rechtvaardigt echter het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Uitgaande, anders dan de rechtbank, van de aannemelijkheid van de verzending van het besluit van

25 november 2009 - uit het hoger beroep en het verweerschrift leidt de Raad ook niet af dat dit tussen partijen in geschil is - staat alleen ter beoordeling de vraag of betrokkene voormeld vermoeden van ontvangst heeft ontzenuwd. Hiertoe is niet vereist dat betrokkene aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen; voldoende is dat op grond van hetgeen betrokkene aanvoert ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 15 juni 2011 (LJN BQ9423).

5.2.

De Raad is van oordeel dat de ontkenning van de ontvangst door betrokkene van het besluit van 25 november 2009 niet redelijkerwijs kan worden betwijfeld op de grond dat betrokkene ook de ontvangst van andere stukken van appellant heeft ontkend, te weten de eerder genoemde brief van 10 november 2009 en de in hoger beroep door appellant overgelegde brief aan betrokkene van 22 september 2009. Hetzelfde geldt voor het in het bestreden besluit verwoorde standpunt dat werkneemster deze stukken wel heeft ontvangen. Wat betreft de verwijzing door appellant naar rechtspraak van de Raad - appellant noemt als voorbeeld de uitspraak van 9 november 2010 (LJN BO4317) - wordt opgemerkt dat betrokkene in haar verweerschrift onweersproken heeft gesteld dat zij het loon na ommekomst van de wettelijke wachttijd onverplicht heeft doorbetaald. Gelet hierop kan niet zonder meer worden gesteld dat betrokkene tot die betaling is overgegaan op grond van het besluit van

25 november 2009.

5.3.

Gelet op de overwegingen 5.1 en 5.2 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak, zij het met gedeeltelijke aanpassing van gronden, te worden bevestigd. Hieraan kan ook niet afdoen de door appellant gestelde gevolgen van de aangevallen uitspraak voor de door appellant met het besluit van 25 september 2009 ingezette besluitvorming ten aanzien van betrokkene, wat daar verder ook van zij.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van

Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2013.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) Z. Karekezi

TM