Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:614

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
14-09-2015
Zaaknummer
11/4690 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/4690 WWB

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 18 juli 2011, 11/764 en 11/766 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Weert (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.D.D. Burhenne, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.M.H. Lenaers, kantoorgenoot van mr. Burhenne. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Paulissen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 22 januari 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant staat in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres [adres] (uitkeringsadres), waar zijn zuster en haar gezin woont.

1.2.

Naar aanleiding van een melding op 29 oktober 2010 dat appellant op 25 oktober 2010 niet was verschenen op de eerste dag van het traject Weer(t) Actief, heeft VCC Verzuimmelding appellant op diezelfde dag niet thuis aangetroffen. Op 22 november 2010 omstreeks 11.30 uur en op 8 december 2010 omstreeks 10.30 uur hebben een fraudepreventiemedewerker en de consulent van appellant hem wederom niet thuis aangetroffen. Zij hebben appellant vervolgens uitgenodigd om op 13 december 2010 om 13.30 uur te verschijnen bij de afdeling Inkomen en Zorg van de gemeente Weert. Appellant heeft aan deze uitnodiging gehoor gegeven. Aansluitend op het gevoerde gesprek heeft met toestemming van appellant een huisbezoek plaatsgevonden op het uitkeringsadres. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in een rapport van 5 januari 2011.

1.3.

Bij besluit van 16 december 2010 heeft het college het recht op bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB met ingang van 13 december 2010 opgeschort op de grond dat naar aanleiding van het huisbezoek van 13 december 2010 is vastgesteld dat appellant zijn hoofdverblijf niet heeft op het uitkeringsadres. Daarbij heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 23 december 2010 te melden op welk adres hij verblijft.

1.4.

Bij besluit van 20 januari 2011 heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 13 december 2010 ingetrokken op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan het verzoek om uiterlijk 23 december 2010 inlichtingen te verstrekken over zijn verblijfplaats.

1.5.

Bij besluit van 17 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 16 december 2010 en 20 januari 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant bestrijdt dat hij onvoldoende gegevens heeft verstrekt over zijn verblijfplaats, zodat de bijstand ten onrechte met toepassing van artikel 54, eerste en vierde lid, van de WWB is opgeschort en ingetrokken.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het bestreden besluit berust op toepassing van artikel 54, eerste en vierde lid, van de WWB. Ingevolge het eerste lid van artikel 54 van de WWB heeft het bijstandverlenend orgaan de bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand indien de betrokkene de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de betrokkene anderszins onvoldoende medewerking verleent. Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van het vierde lid van artikel 54 van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken.

4.2.

De bevoegdheden tot opschorting en intrekking van (het recht op) bijstand op grond van artikel 54, eerste en vierde lid, van de WWB zijn bedoeld als dwangmiddel tot nakoming van de op de bijstandsgerechtigde rustende wettelijke verplichting inlichtingen te verstrekken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 april 2011, LJN BQ1120). De vraag of de al dan niet na opschorting verschafte inlichtingen en verklaringen juist, aannemelijk of geloofwaardig zijn, en welke gevolgen aan de onjuistheid, onaannemelijkheid of ongeloofwaardigheid van die inlichtingen en verklaringen moeten worden verbonden, dient het college te beoordelen bij de uitoefening van de bevoegdheden tot beëindiging van bijstand op grond van de artikelen 43 en 44 van de WWB of tot herziening of intrekking van bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB.

4.3.

Het huisbezoek heeft plaatsgevonden omdat bij het college op grond van de onder 1.2 vermelde feiten en omstandigheden twijfel was ontstaan of appellant wel daadwerkelijk op het uitkeringsadres woonde. Appellant heeft voorafgaand aan en tijdens het huisbezoek uitdrukkelijk verklaard dat hij op het uitkeringsadres woont. Tijdens het huisbezoek is geconstateerd dat appellant slechts één trui, één broek en één voor hem bestemde brief in de woning had liggen. Op basis van deze gegevens heeft het college in het besluit tot opschorting van de bijstand vastgesteld dat appellant niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres en hem verzocht te melden op welk adres hij verblijft. Met de vaststelling dat appellant niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres, is het college getreden in de vraag of de door appellant eerder verstrekte inlichtingen juist zijn. Gelet op het door het college op deze vraag gegeven antwoord en het standpunt van appellant over zijn woonadres was het college ten tijde van het besluit tot opschorting van de bijstand in staat tot een inhoudelijke beslissing over het recht op bijstand van appellant. De bij het besluit tot opschorting gevraagde inlichtingen waren daarvoor niet nodig.

4.4.

Het overwogene in 4.4 leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 54, eerste lid, van de WWB, zodat het college niet bevoegd was om het recht op bijstand van appellant op te schorten. Daarom was het college vervolgens evenmin bevoegd om met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand met ingang van

13 december 2010 in te trekken.

4.5.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gericht tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 54, eerste en vierde lid, van de WWB.

4.6.

Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Het besluit van 16 december 2010 zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden herroepen, omdat dit besluit op dezelfde onjuiste grondslag berust en dit gebrek niet kan worden hersteld.

4.7.

De rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand kunnen op grond van de navolgende overwegingen in stand worden gelaten met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB.

4.8.

Allereerst moet worden vastgesteld dat de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit betreft, dus de periode van 13 december 2010 tot en met

20 januari 2011.

4.9.

Het college stelt zich op het standpunt dat, gelet op de onderzoeksbevindingen, het niet aannemelijk is dat appellant daadwerkelijk op het uitkeringsadres verblijft, dan wel in hoofdzaak heeft verbleven, en dat door de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of appellant bijstandbehoeftig is in de zin van artikel 11 van de WWB.

4.10.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.11.

De gedingstukken bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat niet aannemelijk is dat appellant zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Daarbij komt vooral betekenis toe aan de bevindingen tijdens het huisbezoek van 13 december 2010. Bij die gelegenheid heeft appellant desgevraagd zijn spullen getoond. In de muurkast van de slaapkamer waarop hij samen met zijn neefje slaapt, toonde hij één trui en één broek. Beneden in de hal toonde hij één brief welke voor hem was bestemd. Deze bevindingen heeft appellant niet bestreden, zodat geen aanleiding bestaat deze voor onjuist te houden. Appellant heeft ter verklaring van de bevindingen aangedragen dat hij niet veel kleding heeft, dat een deel van zijn kleding in de was zat, dat hij uiteraard ook kleding aan had en dat hij niet alle post bewaart. Deze verklaringen overtuigen echter niet. Daarmee is niet verklaard waarom op het uitkeringsadres verder geen persoonlijke bezittingen en ook geen administratie van appellant zijn aangetroffen. Ter zitting bij de Raad heeft appellant weliswaar nog aangevoerd dat hij tijdens het huisbezoek ook bankafschriften heeft getoond, maar de gedingstukken bieden daarvoor geen enkele steun. Dat geldt ook voor zijn verklaring ter zitting dat destijds in de muurkast op de kamer waarop hij sliep ook sokken en ondergoed lagen en dat beneden in de woning twee paar schoenen van hem aanwezig waren.

4.12.

Uit 4.11 volgt dat appellant aan het college geen juiste informatie heeft gegeven over zijn woonadres. Daarmee heeft hij niet voldaan aan de in artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan kan het recht van appellant op bijstand over de hier aan de orde zijnde periode niet worden vastgesteld. Het college was daarom bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant over die periode in te trekken. Er is geen grond gebleken voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik zou kunnen maken. Daarom zal de Raad de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit dat ziet op de intrekking van de bijstand in stand laten.

5.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,-- in bezwaar en € 944,-- in beroep en eveneens € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand alsmede op € 9,20 en € 33,40 voor gemaakte reiskosten in beroep onderscheidenlijk hoger beroep, in totaal derhalve € 2.874,60.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 17 mei 2011;

  • -

    herroept het besluit van 16 december 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het besluit van 16 december 2010;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover daarbij het besluit van

20 januari 2011 is gehandhaafd in stand blijven;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.874,60, waarvan

€ 1.930,60, te betalen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.F. Bandringa en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Sahin

HD